Oplossingen


Op de pagina 'Problemen' is een beknopt overzicht gegeven van de belangrijkste knelpunten die ons inziens moeten worden opgelost en op de pagina's 'Werk & inkomen' en 'Werk & migratie' zijn nog enkele deelfacetten nader belicht. Op deze pagina een schets van de oplossingen die door ons worden voorgesteld

Hoofdlijnen

In zeer algemene bewoordingen gesteld, komt het plan neer op versterking van de rol van de overheid. Niet alleen de taken, maar ook de budgettaire mogelijkheden van de overheid om sturing te geven aan het functioneren van ons sociaal-economische stelsel en de samenleving als geheel, moeten worden uitgebreid.
De wijze waarop de overheid uitvoering geeft aan die taken en gebruik maakt van dat ruimere budget dient uiteraard een positieve invloed te hebben op de diverse factoren die ons (aller) geluk bepalen. Het spreekt voor zich dat het model dan aan een paar kernvoorwaarden zal moeten voldoen.
- In de eerste plaats moet het geschikt zijn om in principe het beoogde effect te sorteren.
- Het moet kunnen worden ingevoerd binnen de huidige nationale en internationale constellatie.
- En het moet ook op langere termijn uitvoerbaar en betaalbaar blijven.

Het fundament van het 'Plan voor een gelukkige samenleving' wordt gevormd door een herziening van ons belastingstelsel waardoor de overheid komt te beschikken over een veel ruimer budget. Dit nieuwe stelsel zal tal van effecten hebben op het functioneren van de economie en die effecten zullen voor zover mogelijk moeten worden geïnventariseerd en er zal een adequaat antwoord op gegeven moeten kunnen worden.
Het heffen van meer belasting is geen doel op zichzelf, dus de besteding van die extra middelen vormt het tweede deel van het plan. Zoals al gezegd heeft het oplossen van de armoede in Nederland de hoogste prioriteit, maar het is evenzeer van belang om ervoor te zorgen dat alle burgers een eerlijk deel krijgen van de welvaart die in onze economie wordt gegenereerd, niet alleen het handjevol kapitaalbezitters. De wijze waarop we dit doen moet tevens zorgen voor meer bestaanszekerheid, inclusief een betere bescherming tegen inkomensverlies door nieuwe conjuncturele crises of mogelijke structurele technologische werkloosheid.
In het derde deel een paar korte gedachten over de positieve invloed die uitvoering van het plan kan hebben op onze sociale cohesie, zowel door de materiële effecten ervan als door de immateriële. Daarbij ook enkele bespiegelingen over de relatie van de burger tot de politiek, die tenslotte het plan zal moeten aanvaarden, wil het ooit tot die effecten komen.


1. Belastingen

We pleiten er niet voor om in één keer ons hele bestaande fiscale stelsel overhoop te halen. Wel dient het onoverzichtelijke en onwerkbare geheel van heffingskortingen, subsidies en toeslagen opgeschoond te worden. Ook moet er een nieuwe manier komen om bedrijven te laten meebetalen aan de kosten van de samenleving, want de huidige manier (winstbelasting) is ineffectief en het tarief ervan is bezig te dalen naar nul.
Daarom ons pleidooi voor een nieuwe belasting, die in eerste aanleg naast en onafhankelijk van het bestaande stelsel kan worden ingevoerd, maar die gaandeweg delen daarvan kan overnemen. Zie de pagina 'Belastingen' voor een verdere uiteenzetting.


2. Besteding van de opbrengst

De nieuwe belasting gaat vele miljarden aan extra structureel overheidsbudget opleveren, waarmee dus ook structureel beleid kan worden gerealiseerd. Zo zouden we er simpelweg voor kunnen kiezen om alle collectieve voorzieningen gratis te maken voor de burger. Dat lijkt echter geen goed idee, om meerdere redenen. Het zou erg ongelijk en willekeurig uitpakken voor de burgers en dus geen werkelijke oplossing zijn voor de in brede lagen van de bevolking gevoelde koopkrachtstagnatie.
Natuurlijk, als de collectieve voorzieningen betaald worden uit de ABt zou de inkomstenbelasting omlaag kunnen, maar dat levert slechts een tijdelijke verhoging op van de besteedbare inkomens. Na verloop van tijd zou zich een nieuw, lager loonniveau vormen, waardoor de werkende burger die inkomensverhoging weer kwijt zou raken. Het zal specifieker moeten.
Hoewel het niet mogelijk, noch wenselijk is om hier een uitgebreide gedetailleerde lijst van bestedingen te geven, is er toch een drietal terreinen aan te wijzen waar de opbrengst van de ABt noodzakelijkerwijs aan besteed dient te worden. Zowel vanwege het doel dat we er mee beogen, namelijk meer geluk voor meer medeburgers als ook vanwege de vereiste samenhang van de maatregelen. Zonder die samenhang is het plan niet uitvoerbaar. Die mijns inziens noodzakelijke bestedingen betreffen de opheffing van de armoede, een rechtvaardiger beloning van de arbeid en verdeling van de welvaart en de bekostiging van maatregelen in het kader van een aantal bestaande knelpunten, die momenteel bijna niet opgelost kunnen worden door het gebrek aan middelen.

Armoedebestrijding

Het rapport 'Armoede in kaart 2018' van het SCP stelt dat 6% van de bevolking als arm moet worden aangemerkt. Dat zou dus gaan om ongeveer 1 miljoen mensen ofwel 450.000 huishoudens. Het rapport noemt een doorsnee tekort van € 2300 per arm huishouden per jaar in 2016.
Dit zou betekenen dat de opheffing van de armoede bij deze huishoudens structureel ongeveer 1 miljard euro per jaar zou kosten. Met dat bedrag komen we er echter niet. Aangezien het nauwelijks doenlijk is om maatwerk te leveren op het niveau van individuele huishoudens, zal het moeten gebeuren via categoraal beleid. Het geldende sociale minimum, zoals dat is vastgelegd in normbedragen in de bijstand en in de AOW, zou dan moeten worden verhoogd. Met ruim 3,5 miljoen mensen in de AOW en bijna een half miljoen 66-minners in de bijstand gaat de opheffing van de armoede in Nederland bij een dergelijke categorale aanpak naar schatting zo'n vijf miljard per jaar kosten. Dat is veel geld, maar de opbrengst van de Betaaltaks bij een tarief van 0,01% is daarvoor al voldoende.
Qua omvang van het benodigde bedrag moet het dus mogelijk zijn, maar dan moet er altijd nog bezien worden volgens welke methodiek de armoede het best kan worden bestreden.

In het kader van dit plan is het niet nodig om de arme personen of huishoudens apart te adresseren. Het kan veel eenvoudiger, namelijk als integraal onderdeel van de Algemene Bestedingsvergoeding (ABv) die hieronder wordt toegelicht. Dat is een bedrag dat aan alle volwassenen in Nederland wordt uitgekeerd, zonder naar het bestaande inkomen te kijken. Het enige waar we voor moeten zorgen in het kader van de armoedebestrijding is, dat de ontvangen bedragen uit de ABv (tot een bedrag van € 200 per persoon per maand) niet in mindering komen op de uitkeringen uit bijstand of AOW. Dat komt op hetzelfde neer als verhoging van de normbedragen van die uitkeringssoorten, maar is gemakkelijker in de uitvoering. Het vermijdt bovendien iedere vorm van stigmatisering van de groep armsten.
Voordeel van deze methodiek is ook, dat het wettelijk minimumloon dan niet hoeft te worden verhoogd. Degenen die werken tegen dat minimumloon krijgen immers daarnaast het bedrag van de nieuwe ABv, net als iedereen.

Een Algemene Bestedingsvergoeding

Het welvaren van onze economie wordt vaak in eerste instantie afgemeten aan de economische groei, maar wie er iets nauwkeuriger naar wil kijken let op een aantal meer specifieke indicatoren. Daaronder niet in de laatste plaats de consumentenbestedingen. Zodra die achterblijven gaat het niet de goede kant op met de economie. Voor de consumentenbestedingen zijn twee factoren van belang: de wil van de consument om te besteden, uitgedrukt als 'consumentenvertrouwen' en zijn vermogen daartoe, ofwel zijn koopkracht.
Het consumentenvertrouwen is een zachte factor; de consument kan te somber of te optimistisch zijn, al naar gelang de stemming in het land. Een te sombere consument gaat sparen en dus minder besteden en een te optimistische consument gaat juist (een deel van) zijn spaargeld besteden of zelfs geld lenen voor consumptieve doeleinden. De koopkracht daartegenover, is een harde factor. Het is simpelweg de hoeveelheid geld die de consument in beginsel beschikbaar heeft. Op het stuk van de koopkracht zijn er grote zorgen, gelet op de stagnerende lonen. Die stagnatie heeft de consumentenbestedingen tot dusver nog niet heel erg gedrukt, dankzij het nog steeds hoge consumentenvertrouwen, maar dat kan zomaar omslaan in pessimisme, waardoor de bestedingen wel degelijk een forse knauw zouden kunnen krijgen. Het bedrijfsleven krijgt dan ook van diverse kanten oproepen om de lonen te verhogen. Niet alleen van vakeconomen, maar bijvoorbeeld ook van de kant van de minister-president en van de president van de Nederlandse Bank. Het bedrijfsleven lijkt zich er weinig van aan te trekken en dat is volkomen logisch. Bedrijven zijn er om winst te maken voor de aandeelhouders, niet om lonen te betalen die hoger zijn dan vanwege dat winstoogmerk strikt noodzakelijk is. Dit alles maakt onze economie kwetsbaar en een nieuwe conjuncturele (of structurele?) crisis lijkt dan ook alweer in aantocht.

Om onze kwetsbaarheid op dit punt te verminderen stel ik voor om alle (legale) burgers van het land een persoonlijke 'Algemene Bestedingsvergoeding' te geven, in de vorm van een uniform bedrag per maand, te ontvangen van de overheid. Een bedrag dat niet kan dalen en dus ook voor de toekomst is gegarandeerd. De Algemene Bestedingsvergoeding is onbelast inkomen en is niet gerelateerd aan de hoogte van het overige inkomen of aan de leefsituatie van de ontvanger.

De vergoeding kan gefinancierd worden uit de hiervoor beschreven 'Algemene Betaaltaks' en kan door een stapsgewijze verhoging van die taks in de toekomst stelselmatig worden opgetrokken, totdat de ABv uiteindelijk een niveau bereikt ter hoogte van het sociale minimum. Het zou zelfs meer kunnen worden dan dat.
Van de ABv mogen we verwachten dat ze een optimale impuls geeft aan de consumentenbestedingen en daarmee aan de economie als geheel. In de eerste plaats omdat het besteedbare inkomen van de burger er rechtstreeks mee wordt verhoogd en in de tweede plaats omdat de burger erop mag vertrouwen dat de ABv een blijvertje is. Zowel de harde factor koopkracht als de zachte factor vertrouwen worden ermee verhoogd en daarmee ook de consumenten-bestedingen.

Scherpzinnige lezers zouden kunnen opmerken dat dit toch wel verdacht veel lijkt op het vaak bepleite, maar nog vaker verguisde begrip 'basisinkomen'. Die hebben dan niet helemaal ongelijk. De ABv in mijn voorstel kan inderdaad uitgroeien tot een volwaardig basisinkomen. In eerste aanleg echter, is de ABv geen zogenaamd 'Universeel Basisinkomen' volgens de gangbare maatstaven, zolang het bedrag ervan niet hoog genoeg is om van te leven.

Houdbaarheid van de economie

Sommigen zijn bang dat mensen die een basisinkomen ontvangen waarvan zij (op minimumniveau) kunnen leven, onmiddellijk zullen stoppen met werken in loondienst. Deze angst is niet met feiten te onderbouwen, maar hij wordt regelmatig geuit, zij het meestal met betrekking tot anderen, vrijwel nooit met betrekking tot de spreker zelf. De ABv heeft vele jaren nodig om uit te groeien tot een volwaardig basisinkomen, dus iedereen heeft ruim de de tijd om over dit vraagstuk na te denken en voor zichzelf een conclusie te trekken.

Wat logischerwijs wel te verwachten valt, is een effect op de (arbeids)marktverhoudingen. De onderhandelingspositie van werkzoekenden wordt sterker, waardoor zij het zich kunnen veroorloven om kritischer te zijn ten aanzien van de aard van het werk of de aangeboden arbeids-voorwaarden en arbeidsomstandigheden. Dat is volstrekt normaal in een vrije markteconomie. Werkgevers die mekkeren dat ze geen personeel kunnen krijgen voor tijdelijk, onaantrekkelijk en ook nog eens slecht betaald werk, hebben zelf de sleutel in handen: omhoog dat loon! Het antwoord luidt dan vaak, dat een hoger loon bedrijfseconomisch niet haalbaar is. Maar daarvoor geldt weer een ander gangbaar economisch principe: dicht die onrendabele tent!

De situatie van 'positieve stagnatie' waarin we verkeren heeft naast de gebruikelijke conjuncturele golfbeweging ook structurele oorzaken. Behalve globalisering, waar iedereen naar wijst, gaat het daarbij naar onze overtuiging ook om de effecten van technologische innovatie; vervanging van menselijke arbeid door machinearbeid en automatisering. Dat laatste op een schaal die, anders dan vroeger, niet langer gecompenseerd wordt door nieuwe werkgelegenheid. In de brede maatschappelijke discussie van economen, politici en burgers worden we het voorlopig niet eens over de aanwezigheid, laat staan over de aard en de impact hiervan. Daarom lijkt het verstandig om voor de zekerheid vast te gaan nadenken over een alternatief systeem dat onze kwetsbaarheid op dit punt vermindert. Als de ontwikkeling van de werkgelegenheid op de lange termijn inderdaad richting een volledige werkloosheid gaat, dan is het zonneklaar dat een basisinkomen letterlijk een levensvoorwaarde is.

Eerlijk delen in de welvaart

De voorgestelde Algemene Bestedingsvergoeding is niet in de eerste plaats een methodiek om de armoede uit te bannen. Het is vooral een methode om te komen tot een eerlijker beloning van de arbeid in het algemeen en een rechtvaardiger verdeling van de welvaart, want de markt zorgt daar niet voor. Het is niet langer te tolereren dat vrijwel alle extra winsten die in het bedrijfsleven worden behaald toevallen aan de kapitaalbezitters. De trend die de Arbeidsinkomensquote al decennia laat zien is onmiskenbaar.
De voorgestelde Betaaltaks moet ervoor zorgen dat de bedrijven (lees: de kapitaalbezitters) een rechtvaardige(r) bijdrage gaan leveren aan de kosten van de samenleving waar zij de ruime rendementen op hun kapitaal aan onttrekken. Op zichzelf leidt dat echter nog niet tot een evenwichtiger welvaartsverdeling. We moeten ook een manier hebben om minstens een groot deel van de opbrengst door te leiden naar de burgers. Daartoe dient het voorstel voor een Algemene Bestedingsvergoeding. Die benaming laat zien waarom de burgers er recht op hebben: de omzetten en winsten van de bedrijven zijn te danken aan de consumptieve bestedingen van de burgers. In combinatie vormen de ABt en de ABv het beleidsinstrument om te komen tot een rechtvaardiger verdeling van de welvaart.

Het hoofddoel van de voorgestelde Betaaltaks is weliswaar om daarmee een structurele verhoging van de inkomens en een rechtvaardiger verdeling van de welvaart tot stand te brengen, maar de opbrengst van de ABt hoeft daar uiteraard niet één op één aan te worden besteed. Er zijn meer problemen op te lossen dan de armoede en de stagnatie van de inkomens. We hebben ook te maken met een aantal hardnekkige beleidsproblemen die tot dusver maar moeilijk kunnen worden opgelost, met name omdat de middelen daartoe ontbreken. In het politieke debat worden die kwesties daarom wel eens 'hoofdpijndossiers' genoemd. Oplossing ervan kost geld, soms zelfs veel geld, maar ook weer niet zoveel dat het als onhaalbaar moet worden beschouwd. Het gaat om bedragen die binnen de smalle marges van het huidige overheidsbudget zeer moeilijk op te brengen zijn, maar die met de veel ruimere mogelijkheden van de ABt ons eigenlijk geen hoofdpijn meer hoeven te bezorgen.
Hier een paar voorbeelden van hoofdpijndossiers die met behulp van de nieuwe middelen wellicht eindelijk afgesloten zouden kunnen worden. Er zijn er uiteraard meer.

Belastingstelsel repareren en verduurzamen

In de eerste plaats zou de invoering van de Betaaltaks op zich al aanleiding moeten zijn om flink te snoeien in de jungle van ons huidige belastingstelsel, door het opruimen van zoveel mogelijk toeslagen, subsidies en bijzondere heffingen en heffingskortingen. Die ondermijnen het fundament van onze belastingheffing, het draagkrachtprincipe.
Een van de meest omvangrijke inbreuken op dat principe vormt het stelsel van de heffingskortingen. We kennen maar liefst zeven soorten (2019), met ieder hun specifieke kenmerken en voorwaarden qua doelgroep, tarief (vast of variabel), inkomens- en leeftijdscategorie. Invoering van de ABt in combinatie met de ABv zou een ideale methode opleveren om het verstorende systeem van de heffingskortingen overboord te kunnen zetten. Dit wordt bij het implementatieplan dan ook meegenomen als inverdieneffect.

We weten nog niet zeker of en in welke mate technologische innovatie ten koste gaat van de werkgelegenheid, maar los daarvan zouden we er goed aan doen om ons stelsel alvast minder afhankelijk te maken van belasting op arbeidsinkomen. Liefst in combinatie met het effectiever heffen van belasting op vermogen. Zo kunnen we proberen te voorkomen dat de bestaande vermogensongelijkheid nog verder toeneemt. Dat is een doelstelling die vrij algemeen wordt onderschreven. Ook een verdere verhoging van de BTW valt te overwegen, mits daar dan lastenverlichtingen tegenover worden gesteld.
Zulke accentverschuivingen in de belastingheffing betekenen een verduurzaming van het stelsel, want arbeidsinkomen kan verdwijnen, maar vermogen en consumptie niet. Zoals er ook altijd betalingen zullen blijven plaatsvinden waarover taks kan worden geheven. Ook dergelijke belastinghervormingen zullen net als de implementatie van de al eerder besproken voorstellen, voorzichtig en geleidelijk moeten gebeuren om te voorkomen dat er prijsverhogingen optreden die de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven ernstig verzwakken.

Onroerend goed

In het verlengde van het voorgaande pleit ik voor afschaffing van de Onroerende Zaakbelasting of OZB. Dit is een belasting die zo ongelooflijk irrationeel is, dat er welhaast een verborgen reden moet zijn om hem te handhaven. De boekhoudkundige behoefte aan een registratie van taxatiewaarden bijvoorbeeld. Belastingheffing die niet op de draagkracht wordt gebaseerd, maar vrij willekeurig op een bepaalde wijze van besteding van die draagkracht, is absurd. Zo zouden we ook verre vakantiereizen of buitensporig theaterbezoek gericht kunnen gaan belasten.

Samen met de hondenbelasting (ook zo'n rariteit) vormt de OZB het eigen belastingdomein van de gemeenten, maar dat kan veel efficiënter. In plaats van de OZB zouden de gemeenteraden de mogelijkheid moeten krijgen om -binnen een wettelijk vastgelegde bandbreedte- een voor hun gemeente specifiek percentage aan gemeentelijke 'opcenten' vast te stellen. Dat is een percentage waarmee het bedrag van de inkomstenbelasting van de inwoners van die gemeente wordt verhoogd ter betaling van de gemeentelijke belasting. De verschuldigde bedragen worden berekend door (de computer van) de belastingdienst en aan de desbetreffende gemeenten afgedragen.

Op die manier kunnen we ervoor zorgen dat alle burgers hun bijdrage leveren aan het gemeentelijke budget en dat ze dat doen naar draagkracht. Voordeel van deze vorm van gemeentelijke belastingheffing is, dat er vrijwel geen vaststellingskosten mee gemoeid zijn. Bij de huidige OZB-methode zijn die in verhouding tot de opbrengst schrikbarend hoog, vanwege de verplichte taxaties en de jaarlijkse tsunami aan bezwaarschriften.
De OZB wordt uitsluitend betaald door bewoners van een eigen huis en de afschaffing ervan zou dus aan hen ten goede komen. Dat lijkt een uitgelezen moment om ook het eigenwoningforfait en de aftrekbaarheid van de hypotheekrente af te schaffen. Ook al omdat de rente op hypotheken de laatste tijd sterk is gedaald en voorlopig nog wel laag zal blijven, zodat ook die omstandigheid de pijn van een stelselherziening op dit punt verzacht.

Voldoende en kwalitatief goede huisvesting is voor iedereen van belang. Met name jongeren en meer in het algemeen mensen met lagere inkomens hebben moeite om betaalbaare adequate huisvesting te vinden op de huurmarkt. Woningcorporaties slagen er om een of andere reden niet in om te zorgen voor voldoende aanbod van huurwoningen voor die categorieën. Er zal meer geld moeten worden vrijgemaakt, in combinatie met enkele aan-passingen in de regelgeving, om de sociale woningbouw weer in gang te trekken.

Hoger onderwijs

In een samenleving en in een economie waar veel behoefte bestaat aan hoger opgeleide mensen, is het contraproductief om te bezuinigen op de studiefinanciering. Toch is dat gebeurd; in 2015 werd de basisbeurs afgeschaft en moesten de studenten geld gaan lenen om te kunnen studeren. Hun studieschuld kan daardoor oplopen tot zo'n 20.000 euro. De afschaffing van de basisbeurs werd door de regering uiteraard niet voorgesteld als een ordinaire bezuiniging. Met het bespaarde geld, ongeveer 1 miljard euro, zouden investeringen worden gedaan om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren. Evaluaties nadien hebben uitgewezen dat die doelstelling maar zeer ten dele is gerealiseerd en dat het nog maar de vraag is of ze in de toekomst alsnog gerealiseerd zullen worden. Het moet geen enkel probleem zijn om dat ene miljard dat nodig is voor het herinvoeren van de basisbeurs uit de opbrengst van de ABt te betalen.

Kosten klimaatagenda

Ook Nederland behoort tot de landen die het in 2015 in Parijs tot stand gekomen klimaatakkoord hebben getekend. Als uitwerking van de opgave die Nederland zich stelt is in juni 2019 het Nederlandse Klimaatakkoord tot stand gekomen, waarin onze overheid samen met bedrijven en maatschappelijke organisaties een pakket aan afspraken en maatregelen heeft neergelegd. Dit pakket aan maatregelen is gericht op een halvering van de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030. De klimaatagenda loopt door tot 2050, maar dit is de doelstelling voor de eerste periode van tien jaar.
De structurele jaarlijkse kosten van de uitvoering van dit programma worden geschat op 2 tot ruim drie miljard euro, ofwel maximaal 0,5% van het BBP. Dat lijkt een absurd laag bedrag voor een ambitieus project als dit, zelfs als we aannemen dat de schatting zoals gebruikelijk bij de overheid, er honderd procent naast zit. Maar ook 7 miljard zou op te brengen moeten zijn.

De verdeling van de lasten is minder helder. Het akkoord zegt dat bedrijven en burgers het samen gaan betalen en dat de burgers daarbij zoveel mogelijk zullen worden ontzien, maar dat stelt de burgers niet gerust. Dit bleek bijvoorbeeld bij de verkiezingen voor de provinciale staten van 2019, waar de nieuwe partij Forum voor Democratie zomaar ineens de grootste partij van het land werd, na een campagne die erop gericht was om de kiezer bang te maken voor de kosten van de klimaatagenda.
Het is van het grootste belang om deze angel uit het klimaatdebat te halen. We moeten de burger op een geloofwaardige manier kunnen vertellen dat hij niet de rekening gepresenteerd krijgt. Dat kan met de hier voorgestelde Betaaltaks, want uit de opbrengsten daarvan kunnen de kosten van het klimaatprogramma worden betaald, zonder die rechtstreeks of langs een omweg op de burger te verhalen.


3. Sociale cohesie

Het versterken van de sociale cohesie in de samenleving staat permanent op de politieke agenda. Een van de meest recente initiatieven is een interdepartementaal project dat uiteindelijk moet leiden tot beleid op dit punt.
Het project, waaraan maar liefst tien ministeries deelnemen, heeft in 2018 een notitie opgeleverd die oproept tot 'verdiepingssessies' met lokaal bestuur en vertegenwoordigers vanuit het bedrijfsleven, aanbieders van sociale media, scholen, sportverenigingen, ouders, rechtse opiniemakers en boze burgers. Dat lijkt me een prima idee.
Vooruitlopend op de resultaten van de interdepartementale brede maatschappelijke brainstorming heb ik zelf ook een paar aanbevelingen.

Neem als voorbeeld het armoedeprobleem. Daarvan kan toch wel gezegd worden dat het de sociale cohesie belemmert. Vrijwel alle adviesinstanties van de overheid zien dat zo en ook de overheid zelf. Maar de beleidsmaatregelen waarmee het probleem uiteindelijk wordt aangepakt richten zich op het microniveau. Ze moeten vooral worden uitgevoerd door anderen dan de rijksoverheid en het mag (bijna) geen geld kosten.
Mijn analyse richt zich op het macroniveau. De ongelijke welvaartsverdeling, de onzekerheid over de toekomst, het gevoel bij burgers dat ze erop achteruit gaan door de globalisering in het algemeen of door de komst van migranten in het bijzonder.

Loon, zekerheid en optimisme

Uitvoering van dit 'Plan voor een Gelukkige Samenleving' zou op zichzelf al een versterking van de sociale cohesie teweeg moeten brengen. In combinatie zorgen de ABt en de ABv immers voor een eerlijker verdeling van de welvaart, doordat werkenden hun rechtmatige deel krijgen uit de bedrijfswinsten. Momenteel voelen velen zich op een of andere manier tekort gedaan. Door effecten van de globalisering, door het feit dat immigranten een plek moeten krijgen in onze samenleving, of door bezuinigingsbeleid van de overheid. Doordat de ABv door de overheid wordt uitbetaald en er geen voorwaarden aan zijn verbonden, neemt de bestaanszekerheid voor de burgers toe en kan wellicht ook het vertrouwen in de overheid terrein herwinnen.
Ook de negatieve neiging om steeds maar te redeneren in termen van een zero-sum kan wellicht onderdrukt worden. Iedereen krijgt hetzelfde bedrag uitgekeerd en om dat te kunnen doen hebben we niemand iets hoeven afpakken.

Omdat de Algemene Bestedingsvergoeding blijvend is, kan hopelijk ook de onzekerheid over de toekomst worden verminderd en daarmee ook de vrees dat onze kinderen en kleinkinderen het slechter gaan krijgen dan wij. Er zijn al genoeg redenen tot bezorgdheid die met een hoger inkomen niet weggenomen kunnen worden, zoals veiligheidsrisico's en de klimaatproblematiek.

Gedeelde passie

Iedereen kan zich wel momenten herinneren, waarop onze sociale cohesie een kortstondig hoogtepunt bereikte. Dat had telkens te maken met één belangrijk onderwerp dat ons op dat moment allemaal bezig hield, waar alle ogen op gericht waren. Ouderen herinneren zich het massale meeleven bij de eerste grote televisieactie 'Open het dorp', de landelijke trots tijdens het WK voetbal in Duitsland, de spontane feesten na de geboorte van Willem-Alexander, de golven van enthousiasme langs de grachten van Amsterdam toen het Nederlands (mannen)elftal in 1988 Europees voetbalkampioen was geworden en toen de Leeuwinnen dat ook presteerden in 2017. Dat waren allemaal momenten van uitzonderlijke nationale eenheid, Wat zou het prachtig zijn als we weer zo'n onderwerp zouden hebben dat de natie samenbindt. En dan niet voor even, maar voor langere tijd. Dat zou een enorme impuls geven aan ons wij-gevoel. Het ongelooflijk ambitieuze project van dit Plan voor een Gelukkige Samenleving zou wellicht die functie kunnen vervullen. Het lokkende perspectief van vooruitgang voor iedereen heeft het in zich om ons allen te inspireren en te verenigen.

De vertegenwoordiging van het volk

Politieke besluiten worden sinds de oprichting van ons Koninkrijk begin negentiende eeuw, genomen middels een vorm van vertegenwoordigende democratie. We hebben eenmalig geëxperimenteerd met een referendum als mengvorm van vertegenwoordigende en directe democratie, maar dat bleek geen succes. De meerderheid van de Tweede Kamer vond dat ook. De term 'raadgevend' referendum is een contradictie omdat door de kiezer geëist wordt dat de mening van (een minderheid van) 'Het Volk' wordt 'gerespecteerd' en de uitslag dus tevens het besluit is. Het referendum heeft dan per definitie geen raadgevend karakter meer. En wanneer regering en volksvertegenwoordiging telkens anders beslissen dan de uitslag van het referendum aangeeft doet dat ernstig afbreuk aan het vertrouwen van de burger in de politiek.
Na het anti-Europa-feestje van het referendum over de associatie-overeenkomst van de EU met Oekraïne in 2016 werd de mogelijkheid van een bij volkspetitie afdwingbaar referendum razendsnel weer afgeschaft. De boze burger kan sindsdien alleen nog via reguliere verkiezingen van zijn ongenoegen doen blijken.

Besluitvormende referenda zouden nog wel nuttig kunnen zijn, mits ze niet via een volkspetitie af te dwingen zijn, maar uitsluitend door de volksvertegenwoordiging kunnen worden uitgeschreven. Het zou dan moeten gaan om een keuze uit twee of meer alternatieven en niet om de keuze om iets wel of niet te doen. De keuze om iets niet te doen is immers altijd de gemakkelijkste en tegenstanders zijn het meest gemotiveerd om hun stem uit te brengen. Ook moeten de consequenties van de keuze voor de doorsnee kiezer te overzien en te bevatten zijn. Dus als er door de gemeenteraad een referendum wordt uitgeschreven om de inwoners te betrekken bij de inrichting van het marktplein door ze te laten kiezen uit de ontwerpen van de architekten A, B en C, dan is dat prima. Maar in vredesnaam geen referendum over ons lidmaatschap van de EU, want dat is een recept voor chaos, zo heeft het Britse voorbeeld ons geleerd.

Toch, gezien de populariteit van landelijke referenda bij een bepaald gedeelte van de bevolking, waaronder ook en vooral veel 'boze burgers', lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat deze groep zich niet gehoord of serieus genomen voelt door de politiek. Dat zou ook een van de redenen kunnen zijn voor de sterk toegenomen volatiliteit van de kiezers en de versnippering in de politiek, die ten koste is gegaan van de traditionele partijen. Er is hier sprake van een democratisch tekort zo lijkt het. Maar als referenda niet het juiste antwoord daarop vormen, wat zouden we dan wel kunnen doen?
Los van zaken waar de politici persoonlijk voor moeten zorgen (integriteit, openheid, duidelijkheid, etc), kan er wellicht ook aan ons politieke systeem iets verbeterd worden. Wat mij betreft zijn er twee primaire doelen aan te wijzen, namelijk het verbeteren van de regeerbaarheid van het land en het meer richten van de aandacht in de politiek op de beleidsinhoud en minder op personen.

Kleiner en efficiënter

Wat het eerste betreft ligt het voor de hand om te denken aan een kiesdrempel. In feite hebben we natuurlijk al een kiesdrempel, want een partij moet minstens één reguliere zetel behalen. De drempel bedraagt dus een honderdvijftigste deel van het aantal uitgebrachte geldige stemmen, ofwel tweederde van een procent.
De eenvoudigste manier om deze drempel (iets) te verhogen is door het aantal zetels terug te brengen naar het oorspronkelijke getal van honderd. De uitbreiding in 1956 van honderd naar honderdvijftig zetels hield destijds verband met de Europese taken die de kamerleden toen extra op hun bordje kregen, maar deze dubbelfunctie is inmiddels allang vervallen.
Een kamer met honderd zetels zou sowieso de herkenbaarheid van de politieke verhoudingen ten goede komen. Een kind kan dan inzien dat een partij die twintig zetels heeft dus precies een op de vijf kiezers vertegenwoordigt en niet 'Het Volk'.

Als we de versnippering in de Tweede Kamer tegen willen gaan zal een kiesdrempel van een procent echter niet voldoende zijn. Dan moeten we eerder gaan denken aan bijvoorbeeld vijf procent, zoals in onze buurlanden Duitsland en België. Met dit percentage zou de Tweede Kamer vermoedelijk uit zo'n acht fracties komen te bestaan in plaats van de huidige vijftien en zouden in beginsel drie partijen moeten kunnen volstaan voor een meerderheidscoalitie. Dat scheelt al gauw een paar maanden onderhandelen.

Een kleinere Tweede Kamer zou slagvaardiger kunnen zijn en tegelijkertijd zouden de leden gedwongen worden zich meer op de hoofdzaken te concentreren. De werkdruk van de kamerleden is niet afhankelijk van de omvang van de kamer, maar van de omvang van de fractie. Als een kamer met honderd zetels uit acht fracties zou bestaan, zou de gemiddelde werkdruk niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie met honderdvijftig zetels verdeeld over vijftien fracties. Niettemin is er, gelet op de toegenomen complexiteit en veelheid van onderwerpen, alles voor te zeggen om de budgetten voor fractieondersteuning te verhogen. Ook zou het salaris (de 'schadeloosstelling') van de kamerleden wat mij betreft best wat opgetrokkken mogen worden. Dat zou recht doen aan het belang en de zwaarte van de functie van volksvertegenwoordiger. Bij een kleinere kamer kan dat budgettair-neutraal.

Het nadeel van een hogere kiesdrempel is wel, dat die het voor nieuwe politieke groeperingen erg moeilijk maakt om een plaats in de politieke arena te veroveren. Dat is jammer, want frisse ideeën zijn juist welkom. Een ander nadeel is dat gevestigde partijen bij een incidentele verkiezingsnederlaag relatief zwaar kunnen worden gestraft met zo'n drempel.
Dit nadeel kan worden ondervangen door de drempel vertraagd toe te passen. Partijen die wel (ten minste) een zetel halen, maar niet voldoen aan de kiesdrempel (dus een stemmenpercentage behalen tussen 1% en 5%) krijgen een gele kaart en verbeuren hun waar-borgsom. Bij een tweede achtereenvolgende keer wordt het een rode kaart en krijgen ze dus geen zetels in de kamer.
Partijen die op deze manier uit de kamer verdwijnen moeten, als ze aan de volgende verkiezingen willen deelnemen, voldoen aan alle vereisten voor nieuwe deelnemers (waarborgsom, nieuwe hand-tekeningenlijsten, etc.) Het systeem met 'gele kaarten' geeft niet alleen de politieke partijen maar ook de wispelturige kiezer een tweede kans. Die kan dan nog eens nagaan of de reden om niet meer op de betrokken partij te stemmen wel een goede is geweest.

Indien dit model zou zijn toegepast vanaf de kamerverkiezingen van 2012, dan zou de tweede kamer bij de verkiezingen van 2017 geen dertien, maar negen fracties hebben gekregen, waaronder twee nieuwkomers met een 'gele kaart' (DENK en FvD). Voor die twee zou het bij de volgende keer dus 'erop of eronder' worden. Vier partijen zouden verdwenen zijn: 50PLUS, PvdD, CU en SGP.
De regeringscoalitie van VVD, CDA en D66 zou een meerderheid hebben van 53 van de honderd zetels. (Correctie: 52, na 'zetelroof' van een VVD-er).

Moeilijker is het om de publieke aandacht te verschuiven van de personen naar de inhoud, maar ook daar is mijns inziens iets aan te doen. Niet zozeer gedurende de zittingsperiode van de kamer, maar wel bij de wisseling van de wacht.

Politici moeten kiezen

In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen en vooral in de laatste fase van de campagne gaat alle aandacht uit naar personen. Op televisie worden debatwedstrijdjes gehouden tussen de lijst-trekkers, waarna wordt bepaald wie zo'n wedstrijdje 'gewonnen' heeft. Media in bredere zin besteden weinig aandacht aan programmapunten van partijen en zelfs een prima instrument als de zogenaamde 'Kieswijzer' lijkt aan effectiviteit in te boeten nu de partijen er steeds beter op ingeschoten raken en de actiepunten in hun verkiezingsprogramma's zo weten te formuleren dat ze er maximaal mee scoren bij het grote gemiddelde van het publiek. Ze weten ook steeds beter hoe ze hun programma moeten inrichten opdat de doorrekening van het CPB er voor hen gunstig komt uit te zien. Inmiddels wordt er dan ook van verschillende kanten getwijfeld aan het nut van de CPB-doorrekeningen.
Televisiedebatten worden strak ingekaderd en programmapunten kunnen alleen nog maar in soundbites worden verkondigd. De debatten tussen de lijsttrekkers stonden toch al vaak impliciet in het teken van de vraag wie van hen de meest geschikte premier zou zijn. Dat is bijna onvermijdelijk, omdat we weten dat een van hen na de verkiezingen premier zal worden en een of meer anderen wellicht minister in het nieuw te vormen kabinet.

Kabinet en Tweede Kamer lijken wel communicerende vaten te zijn. Na de verkiezingen worden er voor het nieuwe kabinet bewindslieden gerecruteerd uit de kring van de kamerleden en gaan ministers en staatssecretarissen uit het oude kabinet terug de kamer in, al is dat laatste vaak tijdelijk. Het beleid van een minister moet dus heel vaak gecontroleerd worden door kamerleden die gisteren nog zijn collega's waren, hetgeen niet bevorderlijk is voor de distantie die voor een goede onafhankelijke controle nodig is.

We zouden eigenlijk moeten streven naar wat meer scheiding tussen kabinet en kamer. Dat die scheiding belangrijk is vindt ook de wetgever, want in artikel 57 (lid 2) van de Grondwet, over 'Incompatibiliteiten parlementsleden', is al bepaald dat een lid van de Staten-Generaal niet tevens minister of staatssecretaris kan zijn. Deze functies zijn onverenigbaar en terecht.

In dezelfde lijn doorredenerend stel ik voor om daar nog een element aan toe te voegen:

Artikel 57 lid 2a "Personen die op een kandidatenlijst hebben gestaan bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer zijn in de daaraanvolgende zittingsperiode van die kamer niet benoembaar als minister of staatssecretaris."

Dit zou betekenen dat (aspirant-)politici gedwongen worden om voor de verkiezingen te beslissen of ze werkelijk kamerlid willen worden of zich liever beschikbaar houden voor een eventueel ministerschap. Ervaring opdoen als kamerlid kan belangrijk zijn voor iemand met ministeriële ambities, maar het is dan geen carrièrepad meer met periodieke bevorderingen.
De functie van kamerlid en die van minister zijn zeer verschillend. Ze stellen beide hun specifieke eisen en een prima kamerlid hoeft dus niet per se een goed bewindspersoon te zijn en omgekeerd. Als directe doorstroming van de kamer naar het kabinet niet meer mogelijk is zouden bewindslieden misschien wat vaker worden geworven op pure deskundigheid, eventueel buiten de eigen partijgelederen.

Wanneer ieders rol en ambitie al voor de verkiezingen duidelijk is krijgen we andere accenten in de campagne. Hopelijk komt er dan wat meer aandacht voor beleidsinhoudelijke zaken, maar een garantie hebben we ook dan natuurlijk niet. Wel wordt het voor ons als kiezers duidelijker en meer voorspelbaar en weten we direct na de verkiezingen hoe de definitieve personele bezetting van de kamer is geworden.

Tenslotte is er voor uittredende bewindslieden ook een voordeel: zij kunnen na de verkiezingen niet meer gekweld worden door het 'Dijsselbloemdilemma' (ga ik het land redden of de partij).

Hoogstens door het 'Teevendilemma': blijf ik in de politiek of word ik chauffeur op de bus



Geen opmerkingen:

Een reactie posten