Problemen


De essentie van het besturingsmodel van ons sociaal-economische stelsel, kan (moet) als volgt worden beschreven:

      De kapitalistische markteconomie voorziet de burgers van een inkomen en
      de overheid probeert ervoor te zorgen dat de markteconomie blijft functioneren.

Dat laatste lukt redelijk waar het gaat om de klassieke taak van het stellen en handhaven van regels die het voortbestaan van een vrije markt moeten garanderen, maar de overheid is tamelijk machteloos waar het gaat om het scheppen van banen en ook waar het gaat om de lonen in de marktsector.

Als Nederlandse bevolking hebben wij geen sociaal contract met het bedrijfsleven. We hebben dus geen baangarantie en we zijn ook niet verzekerd van een waardevast loon. Dat kan ook niet, want private bedrijven moeten streven naar continuïteit en winstoptimalisatie. De beslissing om (goed-) betaald werk aan te bieden komt niet voort uit ideële overwegingen, maar is het gevolg van een bedrijfseconomische calculatie. Bedrijven hebben geen sociale doelstelling. Dat hoort ook zo en het is bovendien een mechanisme dat innovatie -en daarmee de vooruitgang- stimuleert. Aan dat mechanisme moeten we dus beslist geen afbreuk doen. Gevolg is wel, dat de overheid geen rechtstreekse zeggenschap heeft over een van de belangrijkste geluksfactoren, namelijk ons inkomen.

De onderstaande opsomming van problematiek is niet of nauwelijks voorzien van verdere toelichting. Op deze plek moeten we het kort en bondig houden, wat niet wil zeggen dat die toelichting er niet is: lees dat boek!

Armoede

Het probleem dat allereerst moet worden opgelost is de armoede. In een rijk land als het onze zou het niet mogelijk moeten zijn dat zoveel mensen, waaronder meer dan 350.000 kinderen, in armoede leven.

Macht verschuift (verder) richting de kapitaalbezitters

Van de extra rendementen van de bedrijven gaat vrijwel niets naar de werkenden. Ze gaan naar de bezitters van de bedrijven. We zien dan ook dat de welvaartsongelijkheid toeneemt. Inmiddels is de helft van al het privévermogen in Nederland in handen van minder dan 2,5% van de huishoudens.
Een ander effect van de genoemde machtsverschuiving is dat de arbeidsinkomens al geruime tijd stagneren. De politiek probeert dit effect enigszins te verzachten via lastenverlichting (al is het maar optisch), maar het gevolg daarvan is weer, dat er een geleidelijke afbraak plaatsvindt van onze collectieve voorzieningen.

Verbrokkelende sociale cohesie

Omdat de bovenstaande problemen door velen worden gezien of op zijn minst intuïtief worden aangevoeld, neemt de onvrede in de samenleving toe. Tegenstellingen worden scherper aangezet tussen de diverse groepen: jongeren versus ouderen, huiseigenaren versus huurders, werkenden versus niet-werkenden en (vooral) autochtonen versus allochtonen, met name de (niet-westerse) immigranten onder hen.

Falende overheid

De politiek zou voor deze problemen oplossingen kunnen bieden, maar doet dat niet. Er wordt berust in de vermeende onvermijdelijkheid van de spiraal naar beneden. Het ontbreekt aan effectieve ideeën en het ontbreekt aan geld. Die twee hebben uiteraard met elkaar te maken. Ons overheidsbudget wordt voor het overgrote deel (ruim 90%) opgebracht door de burgers en voor slechts een kleine 10% door de bedrijven (lees: kapitaalbezitters). Het deel dat door de bedrijven wordt opgebracht wordt stelselmatig verlaagd vanwege de concurrentie met het buitenland.

Het grootste probleem is dus eigenlijk, dat de overheid voor het heffen van belasting maar één kunstje kent, namelijk geld ophalen bij de burgers.
Het tegelijkertijd verbeteren van de welvaart van diezelfde burgers wordt dan een onoplosbaar probleem.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten