Het probleem

Objectief bezien is er eigenlijk geen probleem. We leven in de meest welvarende periode ooit op een van de meest vervarende plekken ter wereld.
Geen wonder dat zoveel mensen vanuit Afrika en het Midden-Oosten de levensgevaarlijke poging ondernemen om de vesting Europa binnen te komen.

Subjectief bezien is er wel een probleem. Enerzijds omdat we er niet langer op vooruit lijken te gaan, zoals we gewend waren. Anderzijds omdat een deel van onze bevolking blijvend aan de kant staat en niet mee profiteert van de welvaart.

Voor de stagnatie zijn twee oorzaken aan te wijzen, namelijk de globalisering, beter gezegd de internationale concurrentie en de technologische ontwikkelingen, die zowel de hoeveelheid als de aard van de beschikbare betaalde arbeid beïnvloeden.

Internationale concurrentie

In een open economie als de onze is het van groot belang om een sterke internationale concurrentiepositie te hebben en te houden. Dus streven we naar lage loonkosten. Daardoor blijven de lonen achter bij de ontwikkeling van de kosten van levensonderhoud, hetgeen de overheid tracht te compenseren met lagere belastingen. Dat moet dan weer worden betaald uit bezuinigingen op de collectieve uitgaven, ergo het voorzieningenniveau.
Nederland heeft blijkbaar een sterke concurrentiepositie, want het overschot op de handelsbalans is (zeer) hoog. Helaas plukken niet alle burgers de vruchten van dat succes. Over de hele linie bezien komen de grote winsten van de bedrijven vooral terecht bij de kapitaalverschaffers en in steeds mindere mate bij degenen die de arbeid leveren.

Technologische ontwikkelingen

We zijn allemaal vertrouwd met het begrip “Industriële revolutie”. Volgens Wikipedia wordt daaronder verstaan, “de omschakeling van handmatig naar machinaal vervaardigde goederen". Er wordt onderscheid gemaakt tussen een eerste revolutie (stoommachine), een tweede (elektriciteit en verbrandingsmotor) en een derde (ICT).
Het is begrijpelijk dat deze revoluties 'industriële' revoluties zijn genoemd, gezien de enorme veranderingen die ze met name teweeg brachten in de fabricage van goederen. Maar we zouden misschien beter een andere driedeling kunnen hanteren, meer gericht op de essentie van de verandering.
In een eerste technologische revolutie werd spierkracht (van paarden en mensen) overgenomen door machines. Vervolgens werd in een tweede revolutie het vakmanschap van mensen overgenomen door machines, vooral bij de productie van goederen. Weer iets later werd in de derde revolutie, de digitale revolutie, onze rekenvaardigheid overgenomen en overtroffen. Momenteel verkeren we in de tweede fase van deze derde revolutie en daarin zijn onze denkkracht en ons lerend vermogen aan de beurt.
De derde revolutie is -in historisch perspectief- nog maar net begonnen, maar wij zijn ervan overtuigd dat deze fase geen twee eeuwen gaat duren, zoals de vorige twee. De vraag dringt zich dan al snel op: Wat wordt de volgende revolutie? Als onze spierkracht al niet meer nodig is, als onze denkkracht steeds minder nodig is en straks misschien helemaal niet meer, wat rest de mens dan nog?

De Harvard econoom en politicoloog David Deming denkt dat onze sociale vaardigheden het verschil zullen maken. Machines zijn daar slecht in.
Nog wel, maar zelfs op dat gebied kan niemand met zekerheid beweren dat machines nooit sociaal vaardig zullen kunnen worden. Bekende personen uit de wereld van wetenschap en techniek, zoals Stephen Hawking, Elon Musk en Bill Gates, hebben recentelijk al gewaarschuwd dat robots met hun toenemende kunstmatige intelligentie, uiteindelijk de macht zouden kunnen grijpen als we niet oppassen.
De volgende revolutie zou dus wel eens een sociaal-politieke kunnen zijn, maar hoe verder we in de toekomst proberen te kijken, hoe moeilijker.
En hoe aanvechtbaarder de conclusies.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten