Begrippen

In de berichtgeving over sociaal-economische onderwerpen gaat het heel vaak over de arbeidsmarkt. Men spreekt over de werkgelegenheid, de werkloosheid, de arbeidsparticipatie, het aantal banen, het aantal werkenden, het arbeidsvolume en zo meer.
Al deze begrippen hebben hun definitie, maar helaas zijn er voor sommige begrippen meerdere definities in omloop, die bovendien nogal eens door elkaar worden gebruikt. Daarom hier een kleine opsomming.


Beroepsgeschikte bevolking

Hiermee worden degenen bedoeld die in principe in staat mogen worden geacht om betaald werk te verrichten. Voorheen ging het om de leeftijdscategorie van 15 tot 65 jaar, maar tegenwoordig wordt steeds vaker uitgegaan van 15 tot 75 jaar.

Beroepsbevolking

Dit is een deel van de 'beroepsgeschikte' bevolking (zie boven), namelijk dàt deel, dat niet alleen zou kunnen werken, maar het ook doet, of actief op zoek is naar werk. In de definitie die het CBS hanteert moet het bovendien gaan om werk voor minimaal 12 uur per week.
Op basis van dit urencriterium wordt binnen de beroepsbevolking onderscheid gemaakt tussen de 'werkende beroepsbevolking' en de 'werkloze beroepsbevolking'. Deze laatste subcategorie bevat dus ook 'werklozen' die werk hebben, maar dat is dan werk voor minder dan 12 uur per week, terwijl deze mensen eigenlijk meer dan 12 uur per week zouden willen werken.

Niet-beroepsbevolking

Dat is dus het verschil tussen de 'beroepsgeschikte' bevolking en de 'beroepsbevolking'.

Werkenden

Voorheen viel dit begrip samen met het begrip 'werkende beroepsbevolking', maar tegenwoordig wordt daar steeds vaker van afgeweken. Regelmatig worden bij het begrip 'werkenden' alle mensen meegeteld die betaald werk verrichten, ongeacht het aantal uren. Het is duidelijk uit deze definities, dat we niet zomaar mogen aannemen dat iemand die behoort tot de categorie 'werkenden' daarmee ook (volledig) in zijn levensonderhoud kan voorzien. Niet werkloos zijn staat dus niet per definitie gelijk aan "niet behoeftig".

Werklozen / werkzoekenden

Dit begrip valt doorgaans samen met het begrip 'werkloze beroepsbevolking'. Het werkloosheidspercentage geeft aan welk gedeelte van de beroepsbevolking geen werk heeft, of werk voor minder dan 12 uur per week.

Arbeidsparticipatie

Het begrip arbeidsparticipatie is gedefinieerd als het percentage van de beroepsgeschikte bevolking dat behoort tot de beroepsbevolking. Werkenden en werklozen/werkzoekenden tezamen.
Het Centraal Planbureau gaat er bij zijn adviezen en prognoses vanuit dat een toename van het aantal werkzoekenden op termijn vanzelf leidt tot een evenredige toename van het aantal banen.
Wij denken dat dit een misvatting is.

Werkgelegenheid

Meestal hebben we het bij werkgelegenheid gemakshalve over "banen", maar de ene baan is de andere niet. Het verschijnsel deeltijdbaan is allang gemeengoed en neemt langzaam maar gestaag toe.
Daarom moeten we kijken naar een meer objectieve maatstaf.
Wij hanteren hier voor de werkgelegenheid het z.g. 'arbeidsvolume', d.w.z. het aantal feitelijk gewerkte uren in een verslagjaar (van het CBS), uitgedrukt in z.g. Fte's (Fulltime Equivalent, of "arbeidsjaren"). De term voor voltijdbanen. Ook al is een groot deel van het werk in deeltijd verricht.
Wie denkt dat er werkgelegenheid bijkomt als het werk van twee voltijdbanen wordt verdeeld over drie deeltijdbanen houdt zichzelf voor de gek.
Ondertussen blijft de bevolkingsomvang -zij het langzaam- doorgroeien. Daarom drukken wij op dit blog de werkgelegenheid uit in Fte per 1000 inwoners.


BBP, economische groei en banen

Met het BBP (Bruto Binnenlands Product) wordt doorgaans bedoeld, de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten over een bepaald kalenderjaar. Meestal wordt het berekend tegen marktprijzen.
Zoals blijkt uit deze definitie, is er geen rechtstreeks verband met de werkgelegenheid of de lonen.
Toch wordt deze relatie vaak gesuggereerd, bijvoorbeeld wanneer wordt beweerd dat we voor de bestrijding van de werkloosheid (meer) economische groei (d.i. toename van het BBP) nodig hebben.
In het verleden, zo ongeveer tot het eind van de vorige eeuw, hadden we de ervaring dat economische groei gelijktijdig optrad met een groei van de werkgelegenheid. Daardoor zijn we een causaal verband gaan veronderstellen tussen deze twee grootheden.
Maar dat causale verband is er niet.
Technologische innovatie wordt toegepast, daar waar een ondernemer mogelijkheden ziet om zijn winst te vergroten. Veelal ten koste van banen voor mensen. De machines zorgen dus wel voor productie en economische groei, maar niet automatisch voor banen. Integendeel!


Technologische werkloosheid

Door onze hele geschiedenis heen, maar vooral sinds de industriële revolutie, kennen we het probleem van de 'technologische werkloosheid'.
Daaronder verstaan we, kort gezegd, het verdwijnen van banen voor mensen als gevolg van het inzetten van technische hulpmiddelen. Technologische innovatie wordt in de economie aangewakkerd door het streven naar kostenbesparing. Dat is een normaal (en wenselijk) kapitalistisch principe.

Deze technologische werkloosheid was heel lang geen probleem, omdat er ook -en minstens evenveel- nieuwe banen ontstonden door technologische innovatie. Denk bijvoorbeeld aan de luchtvaart.
Tot zover niets bijzonders dus.

Een van de eersten die zag dat er ooit een einde zou komen aan het ontstaan van nieuwe banen ter compensatie van de banen die verloren gingen, was de beroemde Engelse econoom John Maynard Keynes. Die schreef in 1930 in een essay:
Vooralsnog is de enorme snelheid van deze veranderingen schadelijk en stelt zij ons voor moeilijk op te lossen problemen. De landen die niet voorop gaan bij de vooruitgang hebben daar minder onder te lijden. Wij worden echter getroffen door een ziekte waarvan sommige lezers misschien de naam nog niet hebben gehoord, maar waarover zij in de komende jaren veel zullen horen, namelijk 'Technologische werkloosheid'. Dat wil zeggen werkloosheid als gevolg van het feit dat we sneller op arbeid weten te besparen dan dat we nieuwe toepassingen voor arbeid kunnen vinden. Ik trek de conclusie, aannemende dat zich geen belangrijke oorlogen voordoen en geen substantiële bevolkingstoename, dat het economische probleem opgelost kan worden, of dat een oplossing op zijn minst in zicht is, binnen honderd jaar. Dat betekent dat het economische vraagstuk, als we in de toekomst kijken, voor de mens geen permanent probleem is.”
En in 1942 schreef de Oostenrijkse econoom en politiek theoreticus Joseph Schumpeter in zijn boek 'Capitalism, Socialism and Democracy':
Ik voelde mij verplicht om mezelf en ook de lezer een aanzienlijke inspanning op te leggen om op een effectieve manier tot de paradoxale conclusie te kunnen komen dat het kapitalisme wordt vernietigd door zijn eigen succes.”

We zitten nu in de fase dat de effecten van technologische werkloosheid, in de context van een wereldwijde concurrentieslag op (lagere) arbeidsvoorwaarden en sociale voorzieningen, de westerse samenlevingen dwingt tot een gestage afbraak van hun verzorgingsstaat.
De oplossing die Keynes verwachtte voor 2030 is inderdaad in zicht, maar heeft voorlopig geen schijn van kans, omdat zowel het probleem zelf, als de omvang en de richting ervan, nog steeds op grote schaal worden ontkend. Ook door deskundigen en beleidsmakers.
Dat is meer voer voor psychologen dan voor economen, want de bewijzen stapelen zich op.
Voor een snelle blik op de ontwikkelingen, zie deze video.

Basisinkomen

In mijn boek pleit ik voor invoering van een basisinkomen, om te voorkomen dat ons economische systeem zichzelf te gronde richt bij een ver(der)gaande technologische werkloosheid.
Daarover elders meer, maar wat moeten we eigenlijk verstaan onder een “Basisinkomen”?
Het idee van een basisinkomen is al heel oud en komt af en toe op, vooral in economisch moeilijke tijden. Zoals nu. We lezen in de krant over experimenten in Nederland met een “basisinkomen” in enkele Nederlandse gemeenten en in Finland heeft de regering plannen om er op beperkte schaal mee te gaan experimenteren. (Zie het blog)
Bij nadere beschouwing blijkt dat het in geen van deze gevallen gaat over invoering van een basisinkomen. Het gaat slechts over experimenten met een geselecteerde groep kansloze bijstandsgerechtigden, die tijdelijk worden vrijgesteld van een aantal uitkeringsvoorwaarden. Soms in ruil voor een lagere bijstandsuitkering.
Dat kunnen nuttige experimenten zijn, maar ze hebben niets te maken met het basisinkomen. Dit etiket is er ten onrechte opgeplakt en dat is jammer, want bij het grote publiek en ook bij sommige beleidsmakers wordt een basisinkomen toch al zo snel gezien als een sociale uitkering.
En dat is het nou net niet. Maar wat is het dan wel?

Een -echt- basisinkomen voldoet aan de volgende vereisten:

-het wordt gefinancierd en uitgekeerd door de Rijksoverheid,
-alle legale burgers van het land hebben er recht op,
-er zijn geen (verdere) voorwaarden aan verbonden en
-het is voor onbepaalde tijd.

Geen van de experimenten met een zogenaamd “basisinkomen” waarover we horen of lezen in de media, voldoet aan al deze vereisten. Doorgaans voldoen ze zelfs aan géén van de vereisten.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten