maandag 9 maart 2020

#wilwelwatmaarweetookalniethoe: Marike Stellinga


Regelmatig zijn er deskundigen, vaak politici en oud-politici, die ons vertellen wat er volgens hen moet gebeuren. Hun bijdrage aan het publieke debat moet althans die indruk wekken. Heel vaak echter, weten ze wel te vertellen welke doelen we zouden moeten nastreven, maar hebben ze blijkbaar geen idee hoe we die doelen kunnen bereiken. Hoe verstandig de doelen ook gekozen mogen zijn, op die manier is hun bijdrage niet meer dan een vorm van wensdenken waarmee we niet veel opschieten. We rangschikken ze daarom onder de hashtag #wilwelwatmaarweetookalniethoe.

Deze keer: Marike Stellinga

Marike Stellinga is chef van de economieredactie van de NRC. Afgelopen zaterdag schreef ze in haar krant over het onderwijs. Het onderwijs ziet zij als "De Grote Gelijkmaker" en dat is volgens Stellinga blijkbaar ter ziele, want ze pleit ervoor om deze Grote Gelijkmaker te laten "herrijzen".
Met de term "Gelijkmaker" bedoelt ze, dat het onderwijs ervoor kan zorgen dat je als kind van lager opgeleide ouders toch een hogere opleiding en dus een hoger leefniveau kunt bereiken. Dat je zoals Stellinga schrijft, "van een dubbeltje een kwartje kan worden". Het onderwijs kan "kinderen optillen, ongeacht het gezin waaruit ze komen". Kortom, Stellinga is nog helemaal vervuld van het aloude 'verheffingsideaal', zoals dat vooral na de tweede wereldoorlog breed werd gedragen.
Dit verheffingsideaal kunnen we loslaten. Niet omdat het verkeerd zou zijn, maar omdat het uitgangspunt waarop het was gebaseerd, inmiddels nauwelijks meer geldig is. Kinderen van armere, laagopgeleide ouders gingen vaak op hun beurt ook een lagere opleiding volgen en kwamen dus ook in lager betaalde banen terecht, net als hun ouders. Dat was niet omdat ze de capaciteiten misten voor een hogere opleiding, maar omdat enerzijds de middelen ontbraken voor een hogere (vaak ook langduriger) opleiding en anderzijds omdat binnen de destijds aanwezige sociale context niets anders van ze werd verwacht. Hun achterblijven was dus een gevolg van de bestaande ongelijkheid in kansen.
Dat is niet of nauwelijks meer het geval. Gedurende decennia van onderwijsvernieuwing en financiële ondersteuning hebben de naoorlogse generaties dezelfde kansen gekregen en die hebben ze benut om hetzelfde niveau te bereiken als kinderen van rijkere ouders.

Niettemin signaleert Stellinga een hardnekkig probleem, verwijzend naar rapportage van het CPB, namelijk dat het percentage 15-jarigen dat niet goed kan lezen, hoog is en nog (of weer?) toeneemt. Op die constatering valt niets af te dingen, maar op de oorzaken die ze noemt wel. Minder goed onderwijs op scholen in kansarme buurten. Met een groter lerarentekort en meer lesuitval. Dat zijn reële problemen die opgelost moeten worden, maar ze zijn er niet de oorzaak van dat die kinderen zo moeilijk van een dubbeltje een kwartje worden. De Utrechtse psycholoog en filosoof Kees Vuyk heeft dat uitgelegd in zijn boek: "Oude en nieuwe ongelijkheid, over het failliet van het verheffingsideaal" (2017). Zelf zou ik het woord "failliet" niet gebruiken, want de nieuwe ongelijkheid waar Vuyk op doelt is niet het gevolg van falen van het streven naar verheffing van kinderen uit de lagere sociale klassen, maar meer van het succes ervan. De nieuwe ongelijkheid wordt niet veroorzaakt door ongelijke kansen, maar door ongelijke intellectuele aanleg. Dat is het resultaat van selectiemechanismen in de samenleving die ervoor zorgen dat intelligent trouwt met intelligent en dus overwegend intelligent(er)e kinderen voortbrengt. Die trouwen op hun beurt weer met intelligent(er)e partners, enzovoort.
Helaas is dat mechanisme niet te stoppen en is het niet op te lossen met beter onderwijs in de zwakkere wijken, hoe noodzakelijk dat ook is.

Overigens komt Stellinga -zoals gewoonlijk- alleen met een probleemschets, niet met een voorstel voor een oplossing. Daarom haar nominatie in de rubriek #wilwelwatmaarweetookalniethoe.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten