vrijdag 24 januari 2020

WRR (3) Samenvatting van de aanbevelingen


Op 15/01/2020 verscheen het WRR rapport "Het betere werk, de nieuwe maatschappelijke opdracht". De WRR vraagt daarin met name aandacht voor de kwaliteit van werk:
"Voor deze kwaliteit van werk is volgens de WRR nog te weinig aandacht. Daarom staat deze centraal in dit rapport. Het hebben van werk is namelijk goed, zowel voor het inkomen en het zelfrespect van individuen als voor de samenleving. Maar dit geldt vooral als het werk ook goed werk is."

Het rapport van de WRR telt 294 pagina's en bevat grote hoeveelheden informatie over de huidige sociaal-economische situatie in Nederland, inclusief cijfermateriaal en grafische afbeeldingen.
Een heldere probleemstelling ontbreekt, maar wel worden er drie ontwikkelingen onderscheiden die invloed hebben op de kwaliteit van het werk, nu en in de toekomst: technologisering, flexibilisering en intensivering. De nadelige invloed van deze ontwikkelingen op de kwaliteit van het werk vormt de aanleiding en de inhoud van het rapport. De WRR zegt niet dat de kwaliteit van het werk onvoldoende is, maar dat we daarmee in de Europese middenmoot verkeren. "Dat kan en moet beter", vindt de Raad. Veel werk (dat hebben we) is niet genoeg, het gaat om "goed" werk.

Wat is goed werk? Uit de wetenschappelijke literatuur destillereert de WRR drie belangrijke condities voor goed werk:
1. Grip op geld. Goed werk is werk dat voldoende (financiële) zekerheid oplevert, ook in verhouding tot anderen en op de lange termijn. (Zie 1, 2, 3 en 4)
2. Grip op het werk. Goed werk is werk met een zekere vrijheid, waarbij een beroep wordt gedaan op onze capaciteiten en goede sociale relaties worden onderhouden. (Zie 5 en 6)
3. Grip op het leven. Goed werk is werk met voldoende tijd en ruimte om het te combineren met zorgtaken en een privéleven. (Zie 7 en 8)

p228
1. Voorkom oneerlijke concurrentie tussen werkenden met verschillende contractvormen.
Op dit punt heeft de WRR nauwelijks concrete voorstellen. Men doet een vrijblijvende oproep aan bedrijven en instellingen om "weloverwogen beslissingen te nemen" en "contracten aan te bieden die passen bij de aard van het werk". Weliswaar is volgens de WRR de overheid "aan zet", maar die heeft haar 'zet' zojuist gedaan. Dat weet ook de Raad, want die schrijft direct daarna: "In 2019 is in dit kader de Wet Werk in Balans aangenomen." Ook is er al nieuwe regelgeving aangekondigd om de zwakke positie van ZZP-ers te versterken. Zij krijgen de mogelijkheid om minimumtarieven af te spreken en gezamenlijk een CAO af te sluiten. Kortom, wat volgens de WRR nodig is wordt al gedaan en men heeft op dit onderdeel voor de overheid dan ook geen aanvullende adviezen.

p229
2. Ontwikkel een stelsel van contractneutrale basisverzekeringen en voorzieningen voor alle burgers, een stelsel dat past bij de nieuwe wereld van werk.
De WRR stelt voor om een verplichte basisverzekering in het leven te roepen die alle sociale risico’s dekt, van ouderdom tot arbeidsongeschiktheid. Ook ZZP-ers moeten daaronder gaan vallen.
Het is zwaar omfloerst beschreven allemaal en daardoor nauwelijks concreet te vatten, maar de teneur is duidelijk: werkgevers moeten worden bevrijd van de kosten voor zorg, voor scholing, en voor lerend werken en werkend leren. Die kosten moeten worden overgeheveld naar het voorgestelde nieuwe stelsel van sociale zekerheid. Dat voor dergelijke secundaire arbeidsvoorwaarden in CAO-onderhandelingen door de bonden telkenmale loonruimte is ingeleverd, daarover rept de WRR met geen woord.

p231
3. Vernieuw het actief arbeidsmarktbeleid, onder andere door meer aandacht voor persoonlijke begeleiding.
De WRR pleit voor verhoging van het budget voor arbeidsmarktbeleid. De vergelijking met landen als Denemarken en Zweden suggereert dat het Nederlandse budget verdubbeld of zelfs verdrievoudigd zou moeten worden.
Dat geld wil de WRR vooral besteden aan meer, persoonlijker en specifieker begeleiding van uitkeringsgerechtigden naar een betaalde baan. Dat moet niet alleen gaan om zuivere arbeidsbemiddeling, maar ook om andere ondersteuning, op het gebied van taalonderwijs of gezondheidszorg. En die begeleiding moet niet meteen stoppen als de uitkering eindigt.
Het hogere budget is ook nodig voor het creëren van (kennelijk gesubsidieerde) aangepaste werkplekken in bedrijven, met begeleiding voor zowel de werkgever als de (arbeidsbelemmerde) werknemer. Als tegenprestatie voor de subsidie moet de werkgever een verplichting aangaan "voor de lange termijn".
Het meest opmerkelijke advies is dat er moet worden gewerkt aan "preventie" van werkloosheid.
Werkgevers en de overheid moeten mensen die hun baan (dreigen te) verliezen, zo goed mogelijk helpen om bij te blijven op het werk, of om over te kunnen stappen naar nieuw goed werk. Dit betekent doorleren op de werkplek en ook dat UWV en gemeenten er eerder bij betrokken worden als mensen dreigen uit te vallen door werkloosheid of burn-out, en niet pas op het moment dat zij de uitkeringen moeten betalen.

p233
4. Geef mensen met een uitkering en weinig kans op de arbeidsmarkt een basisbaan.
De WRR pleit voor 'basisbanen' voor mensen met een uitkering en weinig arbeidsmarktkansen.
Concreter dan dat wordt het niet. We lezen niets over de aard van die 'basisbanen', over wie er als werkgever moet fungeren, hoe het betaald gaat worden, welke arbeidsvoorwaarden eraan verbonden zijn, of zo'n 'basisbaan' een verplichting wordt, of de bijstandsuitkeringen moeten worden afgeschaft (dan moeten er héél veel basisbanen komen), enzovoort.
We lezen alleen wat een 'basisbaan' niet is, namelijk niet tijdelijk en niet op doorstroming gericht.
Dit flinterdunne en uiterst vage onderdeel van de aanbevelingen heeft in de media de meeste aandacht getrokken, maar dat kan moeilijk worden toegeschreven aan de inhoud van het voorstel, want die inhoud ontbreekt volledig.

p234
5. Ontwikkel een programmatische aanpak voor goed werk binnen bedrijven en instellingen.
Op dit onderdeel wordt het dringen bij de uitvoering: "Bedrijven en instellingen zijn natuurlijk als eerste aan zet", maar "de overheid zal (...) het voortouw moeten nemen." Dat "voortouw" bestaat uit "zachte regulering" in de vorm van voorlichtings- en propagandacampagnes. Polderen dus eigenlijk. Wie erbij betrokken moeten worden is glashelder, namelijk iedereen. Nou, dan gaat het vast wel lukken.

p237
6.Versterk de positie van werkenden binnen arbeidsorganisaties.
De WRR pleit ervoor om "meer tegenkracht en werknemersvertegenwoordiging te organiseren op het niveau van de collectieve onderhandelingen, in het bestuur en op de werkvloer zelf." Hoe de overheid daarvoor kan zorgen blijft mistig. "Een manier (...) is de vakbonden te versterken. Hoewel ze dit op de eerste plaats zelf moeten doen, is (dat) ook in het belang van de werkgevers." Dus hoopt de Raad dat die daarbij gaan helpen.
Iets (maar niet veel) concreter is het voorstel om "meer steun te bieden aan (...) bedrijfs- en organisatievormen waarin werkenden zelf de dienst uitmaken." Dat zou met name moeten door bepaalde (welke?) wettelijke of fiscale belemmeringen weg te nemen.

p239
7. Schep meer mogelijkheden om mensen de keuze te geven hoeveel uren ze willen werken, onder andere door goede kinderopvang en ouderenzorg te bieden, en meer werken makkelijker afdwingbaar te maken.
De WRR pleit ervoor om "in te zetten op een voor iedereen betaalbare en kwalitatief goede kinderopvang, zeker voor kinderen vanaf twee jaar." Wat "inzetten" hier precies betekent wordt niet vermeld. Naast "inzetten" moet er ook worden geïnvesteerd "in een kwalitatief goede zorginfrastructuur voor hulpbehoevenden, met steun voor werkende mantelzorgers." Ook hier blijft onduidelijk door wie, hoeveel en waarin er precies moet worden geïnvesteerd.
Verder moet het deeltijders makkelijker worden gemaakt om bij hun werkgever een hoger aantal werkuren af te dwingen. De 'Wet flexibel werken' geeft ze al het recht om te vragen om urenuitbreiding, maar dat wordt kennelijk niet voldoende gevonden. De WRR noemt een tweetal situaties waarin werkgevers verplicht zouden moeten worden om aan een dergelijk verzoek gevolg te geven. Bijvoorbeeld "wanneer in een bedrijf of instelling meer deeltijdbanen worden gecreëerd terwijl er ook deeltijdwerkers zijn die meer uren zouden willen werken". Waarom volgens de WRR urenuitbreiding van een werkende deeltijder prioriteit moet hebben boven het aan een (deeltijd)baan helpen van een werkloze wordt niet nader toegelicht.

p240
8. Zorg voor langdurige, collectief betaalde verlofregelingen voor zorg en zeggenschap over arbeidstijden.
De WRR pleit voor "collectief betaalde langdurige verlofregelingen (...), voor de zorg voor kinderen en zeker voor de mantelzorg". "Ook voor zzp’ers zouden dergelijke collectieve regelingen beschikbaar moeten zijn". Wat in dit verband moet worden verstaan onder "collectief" is niet duidelijk. Gelet op het in de regeling betrekken van de ZZP-ers lijkt het te gaan om een wettelijke voorziening, betaald uit belasting- en/of premieheffing. Maar de WRR doet ook meermaals een oproep aan de sociale partners, bijvoorbeeld om "in cao’s vaker en betere afspraken te maken die ruimte bieden voor zorgtaken, waaronder mantelzorg". Of de sociale partners zich van deze vrijblijvende oproep iets aan zullen trekken valt te bezien.
Met name bij het combineren van werk en zorgtaken is (meer) flexibiliteit in werktijden nodig. De WRR pleit ervoor om "overwerk te begrenzen en werk en privé af te bakenen, ook in arbeidscontracten en cao’s". Opnieuw een vrijblijvende oproep buiten de overheidssfeer.


Alles overziend is het nogal vaag wat de WRR adviseert. Eigenlijk gaat het meer om een reeks van beleidsdoelstellingen in plaats van concrete beleidsmaatregelen. Bovendien begeeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zich geregeld buiten de sfeer van het regeringsbeleid. Oproepen aan bedrijven en instellingen of aan de sociale partners mag iedereen doen, maar van de WRR verwacht men toch concrete voorstellen voor nieuw of ander overheidsbeleid.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten