zondag 23 oktober 2016

Mathijs Bouman roept Hosanna over de herstellende arbeidsmarkt, maar klopt het?

In het Financieel Daglad beklaagt columnist Mathijs Bouman zich over de manier waarop politici zich uitlaten over de recente economische ontwikkelingen. Hij verwijt ze, met name de ministers van Sociale zaken en van Financiën, dat ze bij positieve berichten over economische groei er ogenblikkelijk op wijzen dat de werkloosheid nog onaanvaardbaar hoog is. Hij verwijt de genoemde politici, toevallig beide PvdA, dat ze opzettelijk somberheid uitstralen uit electorale overwegingen.
De arbeidsmarkt, zo schrijft Bouman, “lijkt sneller te herstellen dan na voorgaande recessies. Een dappere politicus zou dit zelfs met enkele grafieken kunnen illustreren.” Geen politicus die dat doet, dus produceert Bouman zelf die grafieken, waarbij hij zich concentreert op het tempo waarmee een stijging van de werkloosheid, veroorzaakt door een recessie, daarna weer teniet werd gedaan. Hierbij laat Bouman de meest recente recessie, die van 2009, buiten beschouwing want die, zo schrijft hij, was “uitzonderlijk” omdat -anders dan we zagen na eerdere crises- de werkloosheid maar weinig opliep en snel weer op het oude niveau terug was.

Bouman meet het herstel van de arbeidsmarkt af aan het werkloosheidspercentage en de cijfers die hij daarvan gezien heeft stemmen hem zeer optimistisch. Zo optimistisch, dat hij het politici verwijt als ze zijn optimisme -nog- niet van harte delen. Maar is dat verwijt wel terecht?

Het is weinig zinvol om ons oordeel over de arbeidsmarkt te baseren op cijfers over de werkloosheid. Dat is immers een percentage van de beroepsbevolking en die fluctueert. Het is dus schieten op een bewegend doel. Werkloosheid is dan ook een sociale grootheid, geen economische.
Veel accurater is het, om te kijken naar de werkgelegenheid in feitelijk gewerkte uren (en dan nog het liefst naar rato van de bevolkingsomvang).
Als ik dat doe, op basis van het meest recente cijfer van 2016 (Q2) en ik vergelijk dat met het cijfer van Q2 van de voorgaande jaren, dan zie ik dat de werkgelegenheid zijn hoogtepunt bereikte in 2008. Sindsdien is de absolute werkgelegenheid in Nederland ieder jaar afgenomen, tot en met 2015. Pas in Q2 van 2016 zien we voor het eerst een hoger aantal gewerkte uren ten opzichte van een jaar eerder (plus 4.34%).
Zeven jaar na de recessie. 
Die snelle toename waar Bouman het over heeft is dus pas van het laatste jaar en bracht ons weliswaar terug op het absolute niveau van 2008, maar er zijn inmiddels bijna 600.000 extra magen te vullen in Nederland. Naar rato van de bevolkingsomvang bedroeg de werkgelegenheid medio 2016 185 uur per inwoner. Daarmee zijn we nog steeds niet terug op het gewogen niveau van 2008 (191 uur per inwoner).

Het aantal werklozen, aantal werkenden, aantal banen, het zijn allemaal 'softe' grootheden die moeten worden beoordeeld in de juiste context. Zo zien we dat in 2015 het aantal werkenden èn het aantal banen is gestegen ten opzichte van 2014, maar dat het aantal feitelijk gewerkte uren in datzelfde jaar juist is gedaald!
Spreiding van de beschikbare werkgelegenheid over meer mensen kan sociaal wenselijk zijn, maar economisch heeft het weinig betekenis.
Ik heb er zelf dus wel enig begrip voor, als politici nog even wachten met Hosanna roepen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten