maandag 4 april 2016

Invoering basisinkomen is economisch noodzakelijk

Onder economen is invoering van een basisinkomen geen populair idee. Zeker onder Nederlandse economen niet. Het basisinkomen wordt dan ook meestal bepleit door lieden die hun enthousiasme voor het idee koppelen aan een ronduit catastrofaal 'plan' voor de implementatie ervan. Dat plan komt er doorgaans op neer dat de sociale verzorgingsstaat direct moet worden afgeschaft, al het geld op één grote hoop moet worden gegooid om die hoop vervolgens onder het volk te verdelen.
Met zulke vrienden heeft het basisinkomen waarlijk geen vijanden meer nodig.
Dat is jammer, want daardoor zien we wellicht een belangrijke mogelijkheid over het hoofd om aan de huidige situatie van langdurige economische stagnatie wezenlijk en duurzaam iets te doen.

De zorg over de stand van de economie en vooral over de ontwikkeling daarvan neemt toe. De werkloosheid blijft hoog, het aantal bijstandsgerechtigden stijgt nog steeds, de ontwikkeling van de primaire lonen in de marktsector stagneert en dus stagneren ook de bestedingen van consumenten. De regering probeert met kunstgrepen, zoals het verlagen van pensioenpremies en lastenverlichting die wordt gefinancierd met geleend geld, de boel wat op te krikken, maar erg succesvol is dit allemaal niet. Dat geldt ook voor de pogingen van de ECB om via verruiming van de geldhoeveelheid het gevaar van een deflatoire prijsontwikkeling af te wenden.

De conclusie kan geen andere zijn, dan dat het zowel de nationale overheden als de ECB ontbreekt aan het instrumentarium om de problemen effectief aan te pakken.
Overheden scheppen immers geen banen in de economie, hooguit ambtenarenbanen. Maar dat laat zich moeilijk combineren met lastenverlichting en een streven naar begrotingsevenwicht.
Bedrijven scheppen wel banen, maar die zullen dat alleen doen als ze mogelijkheden zien om de daarmee te realiseren productie ook rendabel in de markt af te zetten en daar is een toereikende koopkrachtige vraag voor nodig.
Logisch dat het overgrote deel van het geld dat door de ECB naar de banken wordt gesluisd, niet wordt gebruikt voor het verlenen van bedrijfskredieten. Daarvoor geldt immers hetzelfde: als de ondernemer geen afzetmogelijkheden ziet, zal hij niet investeren. Noch in arbeid, noch in andere productiemiddelen. De juist wat optimistischer geworden prognoses van de economische groei worden dan ook inmiddels alweer naar beneden bijgesteld.
DNB president Klaas Knot pleitte onlangs nog weer eens voor hogere lonen, maar wie kan dat afdwingen? De lonen staan blijvend onder druk door het grote aanbod op de arbeidsmarkt, zo verklaarde het CBS in een persbericht. Lastenverlichting verhoogt incidenteel de besteedbare inkomens, maar dat is budgettair niet vol te houden.

Knot en anderen kijken terecht naar het niveau van de lonen, maar we moeten ook kijken naar het aantal ervan. Eind 2014 lag het door het CBS gemeten arbeidsvolume ruim 200.000 arbeidsjaren onder dat van 2008. Als zoveel betaalde arbeid verloren gaat heeft dat niet alleen sociale gevolgen, maar ook macro-economische. Als er geen werkloosheidsuitkeringen zouden bestaan, zou het bedrijfsleven als geheel de gevolgen onmiddellijk ondervinden. De koopkrachtige vraag zou direct afnemen naar rato van het banenverlies. Uitgaand van een gemiddeld jaarinkomen van 40.000 euro moet er inmiddels zo rond 8 miljard euro aan koopkracht uit de markt verdwenen zijn ten opzichte van 2008. In de statistiek van de consumentenbestedingen merken we dat niet, of althans veel minder, omdat het merendeel van de nieuwe werklozen voor het verlies van hun arbeidsinkomen in belangrijke mate wordt gecompenseerd via een uitkering. Maar ook daar hangt uiteraard een prijskaartje aan, zij het minder direct en minder expliciet. De prijs van het verlies aan werkgelegenheid wordt betaald met 'modernisering' en 'hervorming', de meest recente politieke eufemismen voor afbraak van de verzorgingsstaat. Dat kan niet anders, want de kosten van de overheidshuishouding worden nog steeds voor bijna 60 procent betaald uit de opbrengst van directe belastingen en premies die geheven worden over arbeidsinkomen. Er zijn dus maar liefst drie verliezers: bedrijven in de reële economie die een deel van de koopkrachtige vraag verloren zien gaan, de werkloze burger die een deel van zijn besteedbare inkomen verliest en ook de overheid die belastinginkomsten derft.
Een zeer schadelijke lose-lose-lose situatie.

Is er een alternatief? Wij denken van wel.

Heel kort en krachtig gezegd: het geldcirculatiemechanisme waarop ons samenlevingsmodel is gebaseerd moet veranderen van arbeid-gedreven naar consumptie-gedreven.
De oplossing zou ons inziens gevonden kunnen worden in een drietal maatregelen, die gelijktijdig en in samenhang zouden moeten worden genomen.
-De invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedere legale ingezetene van het land
-Het (verder) belasten van consumptie voor de primaire financiering daarvan
-Bescherming tegen concurrentie uit het buitenland via een systeem van importcertificaten

Basisinkomen

Wie oppert dat er een basisinkomen moet komen krijgt ogenblikkelijk de vraag voorgelegd hoe hoog dat basisinkomen bij invoering dan wel zou moeten zijn. Ons antwoord is: laag genoeg. Zo laag, dat de verstoring van de economie die het gevolg is van de invoering van het stelsel van basisinkomen-consumptiebelasting-importcertificaten zo gering mogelijk is. Liefst nauwelijks waarneembaar.
Vervolgens kan van jaar tot jaar, afhankelijk van de gemeten effecten, worden besloten of het normbedrag van het basisinkomen kan worden verhoogd en zo ja met hoeveel.
Van de invoering van een algemeen basisinkomen mag verwacht worden dat het zowel een verhogende als een verlagende invloed heeft op de lonen. Enerzijds zal de arbeidsparticipatie geleidelijk (en op de langere termijn...) dalen en daarmee zullen werkzoekenden een betere concurrentiepositie verkrijgen op de arbeidsmarkt. Anderzijds zullen sollicitanten zich een lagere salariseis kunnen veroorloven doordat ze al beschikken over een basis in hun inkomen.
De markt zal veel tijd nodig hebben om deze invloeden geleidelijk te kunnen verwerken. Wij denken aan een periode van tenminste enkele decennia. Gedurende die lange periode moet worden bezien of, hoe en in welk tempo de bestaande uitkeringen en andere (fiscale) faciliteiten in het basisinkomen kunnen worden ingebouwd. In eerste instantie valt te denken aan de kinderbijslag, de AOW en de fiscale heffingskortingen. Bijstand vult al aan op eigen inkomsten, dus daar hoeft -althans qua systematiek- niet veel te veranderen.

Belasting op consumptie

Met de bestaande BTW hebben we al een vorm van consumptiebelasting. Het percentage daarvan zou verhoogd kunnen worden om de meeropbrengst vervolgens volledig aan de burgers terug te geven in de vorm van een basisinkomen. Met het verhogen van de BTW doen zich echter ook de nadelen van het systeem van verrekenbare omzetbelasting sterker voelen. Zoals een nog verdergaande fragmentatie van productieketens en fraude met de verrekening. Dat nadeel kan beperkt worden door naast de BTW een tweede belasting op verkopen in te voeren, zonder de verrekenmogelijkheid, ongeveer zoals we die tot 1969 in Nederland kenden. Door deze twee in combinatie toe te passen zou de overheid meer greep kunnen krijgen op de nadelen van de beide methodieken.
Te verwachten is uiteraard, dat door de hogere consumptiebelasting de prijzen zullen stijgen. Dat lijkt voorlopig niet echt een probleem, gelet op de pogingen die men in Frankfurt doet om de inflatie omhoog te krijgen.
Op de wat langere termijn, wanneer het basisinkomen een substantieel niveau begint te bereiken, zullen de kosten van het sociale vangnet afnemen, waardoor ook de over de arbeidsinkomens geheven sociale premies kunnen worden verminderd. Daarnaast zou gestreefd moeten worden naar een geleidelijke vervanging van belasting op arbeidsinkomen door (meer) belasting op consumptie.

Importcertifcaten

Door de stijging van de consumentenprijzen die het gevolg is van de hogere consumptiebelasting, wordt onze binnenlandse economie kwetsbaar(der) voor concurrentie uit het buitenland. Het Nederlandse handelsoverschot bedraagt momenteel al meer dan 10 procent. Ruim boven -en dus in strijd met- de Europese richtlijn van 6 procent. Nederland kan op dit punt dus wel een stootje velen, maar op de langere termijn is er niettemin een beschermingsconstructie nodig om de effecten van een toenemende buitenlandse concurrentie binnen de perken te houden. Deze bescherming is te realiseren middels een stelsel van importcertificaten. Dit idee is ruim tien jaar geleden in de VS naar voren gebracht door Warren Buffett. Het heeft in 2006 zelfs geleid tot een wetsontwerp, dat sindsdien in een bureaulade bij de Amerikaanse Senaat stof ligt te verzamelen.
Het idee berust nadrukkelijk niet op een van de twee gebruikelijke methoden van protectie, invoerquota of invoerheffingen, maar op een stabilisatiemechanisme via verhandelbare certificaten. Wie geld ontvangt uit het buitenland (zoals bij export) verdient daarmee certificaten en wie geld betaalt aan het buitenland (zoals bij import) moet daarvoor certificaten aanschaffen.


Met de implementatie van dit stelsel van drie samenhangende maatregelen zou de regering er ineens een aantal knoppen bij kunnen krijgen op haar sociaaleconomische bedieningspaneel. De politiek gaat dan weer ergens over en de burger ziet wellicht weer wat meer perspectief.

1 opmerking:

  1. Interessante analyse, en de conclusie: invoering van een Basisinkomen (liever een OBi = onvoorwaardelijke basisinkomen) is consequent. De benadering voor de Nederlandse economie gaat echter niet ver genoeg. De omturning van het belastingsysteem is niet consequent genoeg. In een wereld waarin zgn. "behoefte is aan arbeidsplaatsen", is het niet consequent om het vervullen van die arbeidsplaatsen te belasten met loonbelasting en sociale lasten.
    In een wereld waarin de aanslag op milieugoederen langzamerhand dodelijke vormen heeft bereikt is het aan de orde om het milieubeslag (fors) te belasten. Dat betekent belasting op CO2, methaan en andere 'dodelijke' vormen van uitstoot, dus geen (wereldwijde) subsidie meer op fossiel (cf. IMF ± 1000 miljard dollar per jaar), maar belasting op fossiel. En verder ook belasting op (schaarse) grondstoffen, accijnzen dus. Maar geen belasting op arbeid (loonbelasting en sociale lasten), arbeid dient "vrij" gemaakt te worden, dus lasten weg en OBi invoeren als een soort subsidie op de lonen. Dat zal de loonkosten doen dalen naar ± 1/3 van de huidige en dat is nodig ook, het zal de globalisering een halt toeroepen, hetgeen uit duurzaamheidsoogpunt absoluut noodzakelijk is.
    Die verlegging van belastingen van arbeid naar producten is niet van vandaag op morgen te realiseren, bovendien vergt het afstemming op wereld- en op Europees niveau. Een forse stap in de goede richting kan echter gezet worden via het systeem van "PROHEF" (economie op mensenmaat). Zij stellen voor om aan bedrijven die werknemers in dienst hebben een subsidie gegeven van 1000 euro per maand per fte en die subsidie "terug te halen" via HTW-belasting op goederen. Zoiets als ook in jullie voorstel, maar dan als een gesloten systeem dwz. evenveel heffing als subsidie. Bij ontslag worden die 1000 euro basisinkomen voor de werknemer, hij neemt ze mee als OBi. Voor het overige dienen de huidige uitkeringen als basisinkomen voor de anderen, tezamen met de besparing op de bureaucratie en de inverdieneffecten komen zij ± uit (zie hun site).
    In Europees verband zou Nederland zo een voortrekkersrol kunnen spelen.
    Een niet te onderschatten effect van de invoering van een basisinkomen op Europese schaal zou bovendien zijn dat de regionaal ongelijke basisinkomens binnen Europa, voor een rechttrekking zouden zorgen van de huidige "oneerlijke concurrentie" op de Europese arbeidsmarkt. Iets wat Asscher met zijn papieren wetten niet voor elkaar zal krijgen. De Poolse chauffeur krijgt in dit systeem bv. 4000 euro OBi per jaar en de Nederlander 12.000 euro, zodat de laatste in een betere concurrentiepositie komt.

    BeantwoordenVerwijderen