dinsdag 9 februari 2016

Christine, Erik, Joseph en Bobby over het GDP

Onlangs is in Davos weer het World Economic Forum gehouden. Op dat forum was er onder andere discussie over de vraag of (groei van) het Bruto Binnenlands Product (BBP), door de Angelsaksen GDP, ofwel 'Gross Domestic Product' genoemd, nog wel iets zegt over de vooruitgang. Onafhankelijk van elkaar benadrukten IMF-hoofd Christine Lagarde, Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz en MIT professor Erik Brynjolfsson dat, waar de wereld verandert, ook de manier waarop we vooruitgang meten zal moeten veranderen. Alle drie riepen ze op om een nieuwe maatstaf te ontwikkelen voor het meten van de welvaart en de groei daarvan.
Het klonk vernieuwend allemaal, maar was het dat ook?

We schrijven 1968. De twaalfjarige Christine begint haar middelbare schoolloopbaan en heeft meer belangstelling voor synchroonzwemmen dan voor economie. De zesjarige Erik mag eindelijk naar de basisschool en heeft nog nooit van het GDP gehoord. Maar de jonge econoom Joseph Stiglitz had net aan MIT zijn doctorstitel behaald en zal dus met belangstelling hebben geluisterd naar de verkiezingstoespraak van presidentskandidaat Robert Kennedy. In gloedvolle, poëtische campagnetaal spreekt Bobby zijn gehoor van studenten van de Universiteit van Kansas toe. Hij legt uit dat, zoals hij het uitdrukt, “het GDP zo ongeveer alles meet, behalve dat wat het leven de moeite waard maakt”.
Bijna een halve eeuw later weten ze het in Davos ook en klinkt het haast weer modern. Het zou zelfs baanbrekend kunnen zijn, als Lagarde, Brynjolfsson en Stiglitz verder waren gegaan en niet alleen het GDP als maatstaf, maar ook economische groei als eeuwige hoogste doelstelling ter discussie hadden gesteld. Maar zover gingen ze natuurlijk niet. Don't rock the boat, zeker als je geen goed alternatief hebt aan te bieden.

Laten we nog even kijken wat het GDP is en wat economische groei is. In zijn eenvoudigste definitie is het GDP de opeenstapeling van alle financiële transacties in een land.

Een gebruikelijke berekening luidt: GDP = C + I + G + (E - M)

In deze formule verwijst de C naar de consumentenbestedingen, de I verwijst naar de uitgaven van de industrie (lees: de bedrijven), de G verwijst naar de overheidsuitgaven, E en M verwijzen naar wat het buitenland uitgeeft bij ons (Export) en wat wij uitgeven in het buitenlands (iMport).
In wezen verdelen we de natie in een paar herkenbare groepen, berekenen wat elk van deze groepen besteedt en voegen we al deze uitkomsten samen om het totaalbedrag van de bestedingen weer te geven.

Waarom juist de bestedingen? Wel, volgens economen is handel een goede zaak. Of in economisch jargon; handel is een netto-positief. Bij een handelstransactie geeft ieder van de partijen iets op en krijgt er ook iets voor terug en beiden hebben het gevoel dat ze erop vooruit gaan. Het resultaat van een handelstransactie is dus per saldo (netto) een goede zaak (positief).
Op basis van deze redenering, die laat zien dat één individuele handelstransactie per saldo een positief resultaat oplevert, menen economen dat meer van zulke transacties, meer handel, derhalve nog beter moet zijn. Daarom zouden we moeten streven naar oneindige groei!
Tegen deze conclusie zijn diverse argumenten in te brengen, maar laten we eerst nog even kijken naar een paar tekortkomingen van het BBP als meetinstrument.

Inflatie
Het eerste, meest eenvoudige bezwaar dat tegen de bovenstaande rekenformule van kan worden ingebracht, is dat die geen rekening houdt met prijswijzigingen. Het is duidelijk dat we er niet op vooruit gaan wanneer we voor eenzelfde product een hogere prijs moeten betalen dan voorheen. Toch worden in de media de groeicijfers meestal gepresenteerd zonder inflatiecorrectie.

Bevolkingstoename
Een ander voordehandliggend bezwaar tegen het nominale groeicijfer is dat het voorbij gaat aan de toename van de bevolking. Het BBP kun je beschouwen als de koek die we met zijn allen hebben gebakken en ook met zijn allen hebben te consumeren. Als we met meer mensen zijn, worden de partjes kleiner. Dat snapt een kleuter op een verjaarspartijtje.

Om te laten zien dat het nogal wat uitmaakt of deze correcties op het berekende Nederlandse BBP worden aangebracht of niet, laten we de drie varianten even zien in een grafiek.

“De crisis is voorbij”, hoorde ik onze premier triomfantelijk zeggen,
“dat hebben we geregeld.”
Nou, nee dus. De rode lijn van het ongecorrigeerde, nominale BBP geeft een tamelijk vertekend beeld. Om het vriendelijk te zeggen.







(Cijfers BBP en Inflatie van het CBS)



De correcties voor inflatie en bevolkingsomvang zijn voor de hand liggend en gemakkelijk uit te voeren. Economen doen dat meestal ook. Maar er zijn nog allerlei andere factoren, waarmee zelden of nooit rekening wordt gehouden.

Werklast: Wie er vijf procent in loon op vooruit gaat, maar daar tien procent meer uren voor moet werken, die heeft echt niet het gevoel dat zijn welvaart toeneemt.

Onbetaald werk: Het BBP telt alleen financiële transacties en arbeid speelt daarin dus alleen een rol voor zover daarvoor wordt betaald. Dit gaat voorbij aan de grote hoeveelheid onbetaalde arbeid die er in onze samenleving wordt verricht en die een wezenlijk onderdeel vormt van onze welvaart.

Milieu: De gebruikelijke rekenformule van het BBP houdt geen rekening met factoren van duurzaamheid. Economisch gezegd, de “Negatieve Externe Kosten” blijven buiten beschouwing: uitstoot van kooldioxide, bodemerosie, ontbossing, verlies aan biodiversiteit en de resistentie tegen antibiotica bijvoorbeeld. Deze kosten kunnen worden aangepakt met behulp van regulerende voorschriften, of fiscale heffingen, of door bepaalde praktijken simpelweg te verbieden, maar of een overheid dat ook doet, wordt niet verdisconteerd in het BBP.

Gebrekkige marktwerking: We gaan er altijd maar vanuit dat er (vrijwel) perfecte concurrentie bestaat tussen de producenten en dat de consumenten (vrijwel) altijd goed geïnformeerd zijn over prijs en kwaliteit van de producten, maar dat laat in werkelijkheid veel te wensen over.

Herstel van waardeverlies: In sommige gevallen komt een transactie niet tot stand om daar voordeel bij te behalen, maar om iets dat om een of andere reden verloren is gegaan weer terug te winnen. Als door een orkaan een hele rij huizen is vernietigd zullen er heel wat economische activiteiten voor nodig zijn om de boel weer op te bouwen de inrichting te herstellen of kapotte spullen te vervangen. Deze transacties worden ook meegenomen in de berekening van het BBP en dragen bij aan de economische groei, hoewel we er per saldo natuurlijk niet echt beter van worden.

Samenvattend

Het reële BBP per hoofd van de bevolking per gewerkt uur is dus een bruikbare maatstaf, zolang de hoeveelheid onbetaald werk constant blijft, het beleid van de overheid effectief is en de mensen juist en volledig geïnformeerd zijn en partijen opereren binnen een goed functionerende markt en er geen transacties worden meegeteld die slechts herstel van waardeverlies beogen.
Maar probeer dàt maar eens uit te rekenen!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten