vrijdag 22 januari 2016

Arbeidsparticipatie werkt als schokdemper, niet als gaspedaal

De methodiek die het Centraal Planbureau hanteert bij het berekenen van de werkgelegenheidseffecten van voorgenomen fiscaal beleid houdt ons op dit blog al een tijdje bezig. En niet alleen ons. Zo hadden ook hier en daar een paar hoogleraren de nodige kritiek op de aannames en modellen van het CPB. Deze kritiek was voor medewerkers van het CPB aanleiding om ter verdediging van hun methodiek op 2 december 2015 een artikel te plaatsen op het MeJudice economenforum.

Waar ging het ook alweer over?
Het CPB stelt prognoses op over de werkgelegenheid, maar heeft geen model ter beschikking om die rechtstreeks te berekenen. Werkgelegenheidseffecten van overheidsbeleid worden door het CPB indirect “berekend”, door ze af te leiden uit iets anders, namelijk de arbeidsparticipatie. Dat is de omvang van de beroepsbevolking (werkenden en werklozen tezamen) in relatie tot de totale bevolking. Gezonde volwassenen zonder betaald werk tellen alleen mee als ze willen werken en ook actief naar werk zoeken.
Het CPB heeft ontdekt dat de wil van mensen om te werken kan worden beïnvloed door ze via fiscale ingrepen (een deel van) hun inkomen af te nemen. En omgekeerd natuurlijk.
Daar is gericht onderzoek naar gedaan, hetgeen heeft geresulteerd in een 'MicroSimulatie' model, waarmee het effect van fiscale maatregelen op de werkwilligheid van mensen kan worden voorspeld. Met dat model kan het CPB dus betrouwbare uitspraken doen over de te verwachten wijzigingen in het aantal werkzoekenden.

Als het CPB daarmee zou volstaan is er niets aan de hand, maar men maakt vervolgens een enorme sprong in de redenering door een berekende stijging of daling van het aantal werkzoekenden gelijk te stellen aan die van het aantal banen. Volgens het CPB fungeert dus de arbeidsparticipatie als gaspedaal voor werkgelegenheidsbeleid. Dat meent het CPB te mogen aannemen op basis van een uitgangspunt dat door de auteurs in het bovengenoemde artikel als volgt werd geformuleerd: (op de lange termijn) "gaan wij ervan uit dat de procentuele toename van de werkgelegenheid gelijk is aan die van het arbeidsaanbod".
Om dit te illustreren laat men in een grafiek zien dat werkgelegenheid en arbeidsparticipatie in het verleden een parallel verloop hebben gehad. Het CPB lijkt hier een statistische correlatie aan te zien voor een causaal verband . Natuurlijk kan een dergelijke samenloop aanleiding zijn voor het opstellen van een werkhypothese, maar zolang het veronderstelde onderliggende mechanisme niet verklaard kan worden zegt zo'n statistische correlatie weinig.

In een poging om het uitgangspunt van het CPB te toetsen heb ik de cijfers van het CBS over werkgelegenheid en arbeidsparticipatie in hun procentuele verloop naast elkaar gezet over de periode 1996 tot en met 2013.


Over deze periode van bijna twintig jaar is van het door het CPB gestelde mechanisme niets te merken.

Integendeel, voor zover kan worden gezegd dat de ontwikkeling van de ene grootheid die van de andere volgt, lijkt het er veeleer op dat hier de werkgelegenheid leidend is en niet de arbeidsparticipatie, zoals het CPB aanneemt.


We kennen het verschijnsel van de 'discouraged worker'. Waar zou het 'discouragement' van die worker door veroorzaakt worden, als dat niet de constatering is, dat door een dalende werkgelegenheid zijn kansen op een baan uit het zicht verdwijnen?
Uiteraard kan er ook in die richting geen een-op-een relatie zijn. Immers, veel werkzoekenden zijn door dwingende economische noodzaak of vanwege uitkeringsvoorwaarden niet vrij om naar believen afscheid te nemen van de arbeidsmarkt. Maar een deel van het arbeidsaanbod kan dat wel en dat deel fungeert zo onwillekeurig als schokdemper van de officiële werkloosheidsstatistiek.
We zien dit dempende effect in de grafiek weerspiegeld: zowel de pieken als de dalen zijn in de blauwe curve minder heftig dan in de rode.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten