donderdag 24 september 2015

Het CPB houdt een rotsvast geloof in het verleden

Al eerder berichtten wij op ons blog over de policy brief geschreven door het CPB ten behoeve van de Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarin ingegaan wordt op technologische werkloosheid en het effect van automatisering op de economie. We zagen daar al dat het CPB weinig behoefte heeft aan recente statistieken en meer belang hecht aan het theoretisch afleiden van de werkelijkheid dan aan het feitelijk meten ervan.
Ook het theoretische betoog van het CPB laat echter te wensen over, zoals meteen al blijkt uit de openingszin:
“Technologische verandering leidt tot een hogere productiviteit en meer werkgelegenheid.”
Dat technologische innovatie leidt tot een hogere productiviteit is evident, maar dat zij ook leidt tot meer werkgelegenheid? Absoluut niet.
Natuurlijk stijgt de productiviteit, waarom zouden we anders die machines inzetten? Voor bedrijven is innovatie geen doel op zichzelf. Zij investeren alleen in nieuwe of meer technologie als ze mogelijkheden zien om de productiviteit te verhogen zonder te hoeven betalen voor extra personeel. Meer winst, daar gaat het om!
Indien bedrijven zich rationeel gedragen, hetgeen in de economie algemeen wordt aangenomen, is het dus niet mogelijk dat kapitaalinvestering in machines tevens leidt tot meer banen of behoud van banen in hetzelfde productieproces. We kennen allemaal de populaire redenering: “ja maar iemand moet toch die machines maken, besturen of onderhouden”. Dat argument is domweg fout. Bedrijven zijn geïnteresseerd in het verhogen van de winst en zijn agnostisch ten aanzien van de aard van hun kosten. Als het maken, besturen en onderhouden van nieuwe machines meer personeelskosten met zich meebrengt dan de productie zonder die machines, dan komen ze er niet.

Misschien bedoelt het CPB dat er werkgelegenheid ontstaat bij andere -bestaande of nieuwe- bedrijven? Het is denkbaar dat door neveneffecten de vraag stijgt en dat er daardoor meer gevarieerd werk wordt gedaan. Als we niet meer nodig zijn voor het werk in de landbouw kunnen we ons toeleggen op het schrijven van mobiele apps.
Er is inderdaad vraag naar mobiele apps ontstaan die niet bestond toen we nog allemaal bezig waren met overleven. Het is echter naief om te geloven dat deze nieuwe vraag is gecreëerd. Alsof de mensen in vervlogen tijden niet graag mobiele telefonie en internet tot hun beschikking zouden hebben gehad. Natuurlijk bestond die vraag al, maar het was nog niet mogelijk om eraan te voldoen!
De technologie creëert geen nieuwe vraag; de technologie ontsluit de -latent- aanwezige vraag.
Dat subtiele verschil is belangrijk, want als technologische innovatie er bovendien voor zorgt dat we in steeds toenemende mate aan de vraag kunnen voldoen, dan kan de economie alleen maar op de huidige wijze blijven functioneren als er kwalitatief gezien steeds nieuwe vraag ontstaat.
Maar de vraag kan per definitie niet oneindig zijn! Consumptie heeft nu eenmaal fysieke begrenzingen. Ga maar na: is het mogelijk om een oneindige hoeveelheid muziek te beluisteren? Nee, één muziekstuk per keer is het maximale aantal. Als er in de tijd dat ik dat ene stuk heb beluisterd alweer twee nieuwe bij zijn gekomen zal mijn vraag het aanbod nooit overstijgen. Ditzelfde geldt voor films, theater, boeken en andere vormen van entertainment. Andere producten en diensten hebben soortgelijke limieten; met een bepaalde hoeveelheid voedsel is aan onze eetlust voldaan en sneller reizen willen we ook niet als de acceleratie oncomfortabel wordt.
Dit brengt ons tot een ongemakkelijke conclusie. Indien de omvang van de vraag eindig is en de productie alleen maar toeneemt, dan zal er uiteindelijk geen werk meer over zijn voor mensen om te doen. Het is de thesis van mijn boek en het blog, dat we het omslagpunt al voorbij zijn. Dat er steeds minder behoefte is aan menselijke arbeid en dat vanaf nu het aantal noodzakelijke banen alleen maar kan dalen (al kunnen we wel nutteloze banen creëren als we dat zouden willen).

Hoeveel hiervan begrijpt het CPB? Niet al te veel, gezien de kortzichtige uitspraak:
“Daarnaast zijn interactieve en niet-routinematige analytische taken belangrijker geworden. Mensen hebben ten opzichte van computers een (relatief) voordeel in het uitvoeren van deze taken.”
Natuurlijk, nog wel. Het is eenvoudiger en dus goedkoper om routinematige taken te automatiseren. Maar laten we niet denken dat het onmogelijk is om niet-routinematige taken te automatiseren, want dat is wel degelijk mogelijk, het duurt alleen wat langer. Wat we in de praktijk zien gebeuren, is dat het werk in essentie wordt gedaan door machines en dat mensen alleen worden ingezet op taken die machines nog niet aan kunnen. Martin Ford duidt dit verschijnsel aan met de term 'dexteritygaps', ofwel 'leemten' in de vaardigheden van machines. Hiervan zijn twee typen; fysieke dexterity gaps en cognitieve dexterity gaps.
In de fysieke categorie zijn robots zoals Baxter en Petman de huidige state of the art.
In de cognitieve hoek moeten we denken aan de AI van Stanford of Watson van IBM.
Het CPB schrijft:
“Vooral hoogopgeleide werknemers lijken hiervan te hebben geprofiteerd, omdat zij zowel een efficiencyvoordeel hebben van computergebruik, als goed zijn in het uitvoeren van interactieve en niet-routinematige analytische taken.”
Dit is inderdaad een voordeel dat voortkomt uit het bestaan van cognitieve dexterity gaps. Het zou echter een fout zijn om te denken dat we die gaten niet gaan dichten in de toekomst. Overigens betekent het profijt waar het CPB over spreekt alleen maar dat de hoger opgeleiden minder hebben hoeven inleveren. Niet dat hun salaris flink omhoog is gegaan. En de lager opgeleiden hebben maar weinig voordeel gehad van de fysieke dextery gap omdat zij moeten concureren met degenen die hun baan in het middensegment inmiddels hebben verloren.
“Beroepen hebben net als producten een levenscyclus. In tijden van snellere technologische verandering verdwijnen meer beroepen en ontstaan ook meer nieuwe beroepen.”
Dit is een nogal verhullende formulering van het CPB. Dat er beroepen verdwijnen en dat er nieuwe beroepen ontstaan als gevolg van technologische innovatie is een waarheid als een koe. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Het gaat niet om 'beroepen', het gaat om banen. Het gaat niet om de samenstelling, maar om het volume van de werkgelegenheid.
Prof. Dr. Bas ter Weel, een van de auteurs van de policy brief, schreef in dit verband al eens in de NRC: “er komen ook net zo hard banen bij”. Dat nu, is pertinent onjuist. Ter Weel heeft sindsdien beter nagedacht en zegt ditmaal niet dat er 'net zo hard' nieuwe 'banen' bijkomen, maar dat er 'ook' nieuwe 'beroepen' ontstaan. Deze opmerking is niet bijster relevant, maar de auteurs lijken ermee te willen suggereren dat er voor de totale omvang van de werkgelegenheid geen gevaar dreigt. Dat mag misschien het geval zijn geweest in het verleden, toen er nog voldoende verborgen vraag op de plank lag, maar inmiddels zijn we door de voorraad heen. De statistieken geven duidelijk aan dat het omslagpunt in 2000-2001 is bereikt. Sindsdien gaat het slechter met de werkgelegenheid, wat zich vertaalt in een matige loonontwikkeling en een reële daling van de werkgelegenheid, gemeten in arbeidsjaren per duizend inwoners.
“Bovendien is de nieuwe technologie niet altijd in staat geweest om alle verwachtingen waar te maken en zijn er onverwachte toepassingen ontstaan. Al in de jaren zestig sprak men over huishoudrobots en andere technische snufjes die er nooit zijn gekomen, terwijl er nauwelijks over de mobiele telefoon en het internet werd gesproken door toekomstverkenners.”
Wat een nare opmerking nou weer. Het is waar dat wij ingenieurs soms wat te optimistisch zijn over de haalbaarheid van bepaalde projecten. Creativiteit is nu eenmaal moelijk af te dwingen en innovatie is zeker geen lineair proces. Dit neemt echter niet weg dat een geslaagde innovatie de wereld flink kan veranderen. Wat blijft er over van de transportsector als we straks zelfrijdende voertuigen hebben?
Ter Weel cs verwijzen naar een passage uit het rapport van het Rathenau instituut:
“Landen die voorop liepen met de ontwikkeling en implementatie van nieuwe technologie, hebben de transitie sneller en met minder pijn doorgemaakt. Vroegtijdig inspelen op de komende veranderingen op de arbeidsmarkt en investeren in nieuwe technologie lijken de transitie soepeler te laten verlopen.”
Ja natuurlijk. We leven in een tijd van open markten en globalisering. Als de bedrijven in ons land technologische voorsprong behalen en behouden, dan komt de winst bij ons terecht en de gedwongen ontslagen vallen in andere landen. Vergeet echter niet dat dit een wedstrijd is die ook wij uiteindelijk niet kunnen winnen. Ondanks onze mooie vierde plek op de innovatieranglijst zal iemand ergens ons eruit concurreren. Al zijn we nog zo slim, de economische ziekte van de technologische werkloosheid tast ook òns gestel aan.
Tenzij we besluiten om niet langer te volstaan met symptoombestrijding en actie ondernemen om ook de ziekte zelf aan te pakken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten