donderdag 17 september 2015

De fictieve werkelijkheid van het CPB

Op 7 september 2015 hadden leden van de Tweede Kamer een z.g. 'tafelgesprek' met vertegenwoordigers van een aantal bedrijven en organisaties, over het thema 'Robotisering en Werkgelegenheid'.
Een van de uitgenodigde deelnemers was het CPB, dat net als de andere deelnemers een 'positionpaper' had ingebracht.
Het CPB paper (Policy brief 2015/13) was getiteld 'Middensegment onder druk, Nieuwe kansen door technologie'. De conclusie die het CPB daarin trekt klinkt buitengewoon optimistisch: “Technologische verandering leidt tot een hogere productiviteit en meer werkgelegenheid.”
De bewering dat technologische verandering leidt tot meer werkgelegenheid vindt tot dusver geen steun in de statistieken. Blijkens cijfers van het CBS daalt de totale werkgelegenheid (in arbeidsjaren per 1000 inwoners) onafgebroken van 2008 tot en met 2014.

De belangrijkste aanbeveling die het CPB doet aan de politiek is deze:
“Gegeven de stijgende vraag naar hoogopgeleiden” moet het middelbare niveau aangezet worden om een hogere opleiding te voltooien.

Laten we eens naar de cijfers kijken. Die waarover het CBS beschikt lopen niet vanaf 1979, zoals in het stuk van het CPB, maar vanaf 2005.
Ze geven dus met name inzicht in de meer recente ontwikkelingen.

Het aanbod (aandeel in de werkende beroepsbevolking) van hoger opgeleiden blijkt inderdaad te zijn toegenomen, maar de trends zijn over deze periode nauwelijks met het blote oog te onderscheiden. Laag en middelbaar zijn met twee, respectievelijk een procent gedaald en het hoge niveau is met drie procent gestegen.
Let wel, dit zijn verschuivingen binnen de bestaande hoeveelheid werk. Het totale volume van de werkgelegenheid is sinds 2008 ieder jaar afgenomen, maar het aandeel van de hoogopgeleiden in de krimpende arbeidsmarkt is wel licht toegenomen, ten koste van de andere twee categorieƫn.



Dan de stelling waarop het CPB zijn advies aan de politiek heeft gebaseerd:
“de relatieve vraag naar hoogopgeleiden stijgt harder dan het sterk gestegen aanbod bij kan houden”.
Deze stelling wordt door het CPB niet onderbouwd met cijfers over bijvoorbeeld het aantal banen voor hoogopgeleiden of het aantal openstaande (onvervulbare) vacatures voor hoogopgeleiden. Dat zou neerkomen op waarnemen van de werkelijkheid.
Nee, de werkelijkheid wordt door het CPB niet feitelijk gemeten, maar theoretisch beredeneerd, op basis van het klassieke economische principe dat als enig goed, in dit geval arbeid, schaars is, de prijs van dat goed stijgt. Het CPB past de omgekeerde variant daarvan toe en zegt: als de (relatieve) prijs van arbeid voor hoogopgeleiden stijgt (ondanks een hoger aanbod), dan moet er wel schaarste zijn, met andere woorden: dan moet de vraag sterker zijn gestegen dan het aanbod. Deze redenering klinkt plausibel, mits aan twee voorwaarden is voldaan:
-er moet op de (in dit geval arbeids-)markt sprake zijn van een vrijwel perfecte prijselasticiteit en
-de (relatieve) prijs van arbeid voor hoogopgeleiden moet inderdaad zijn gestegen.

Aan de eerste voorwaarde wordt ons inziens al niet voldaan, maar dat terzijde.

Fundamenteler is, dat ook aan de tweede voorwaarde niet wordt voldaan, hetgeen is af te leiden uit de cijfers van het CBS, waarvan het CPB kennelijk geen gebruik heeft gemaakt.
Uit deze cijfers blijkt dat de (relatieve) prijs van arbeid, in het CPB-paper “rendement” genoemd, zich vanaf 2005 tot en met 2011 heel anders heeft gedragen dan het CPB in zijn paper stelt.

Vergeleken met 2005 blijkt in 2011 het relatieve rendement bij het middelbare niveau te zijn gestegen. Bij het HBO niveau is het gelijk gebleven en bij het universitaire niveau blijkt het zelfs te zijn gedaald! De cijfers van het CBS weerspreken dus het uitgangspunt waarop het CPB zijn conclusie en advies baseert.







We kunnen ook nog kijken naar het absolute rendement, dwz naar het verloop van de gemiddelde primaire (lees: bruto) lonen op de verschillende beroepsniveaus. Dat ziet er als volgt uit.

Opmerkelijk is, dat juist de categorie met een middelbaar beroepsniveau de hoogste stijging van het gemiddelde primaire loon laat zien. Terwijl dat toch de categorie is waar de technologische werkloosheid het eerst en het sterkst voelbaar zou moeten zijn.
De laagste procentuele loonstijging heeft zich daarentegen voorgedaan op het universitaire beroepsniveau, hetgeen bepaald geen aanwijzing is dat de behoefte aan universitair geschoolde werknemers in deze periode is gestegen.




Het advies dat het CPB geeft aan de politiek biedt geen oplossing voor de huidige en toekomstige problematiek. Dat komt niet alleen doordat de conclusie is gebaseerd op een theoretisch beeld dat niet blijkt te stroken met de feiten. Het komt ook doordat het CPB ten principale ontkent dat onze economische werkelijkheid sinds het begin van deze eeuw fundamenteel en definitief is gewijzigd.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten