woensdag 15 januari 2020

Nieuw WRR advies: Voer een 'Basisrelatie' in!


Vandaag kwam de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) met een nieuw rapport, getiteld 'Een betere partnerrelatie, de nieuwe maatschappelijke opdracht'. In een degelijk onderbouwd betoog van bijna driehonderd pagina's wordt door de WRR geconstateerd dat de partnerrelaties in ons land onder druk staan. De WRR wijt dat met name aan drie ontwikkelingen:

- de technologisering van relaties, via seksrobots en internetdating;
- de flexibilisering van relaties, in de vorm van korte opeenvolgende vluchtige relaties;
- de veeleisendheid van relaties, we moeten ons steeds meer inspannen om onze partner tevreden te stellen.

Deze ontwikkelingen hebben gevolgen voor het aantal beschikbare relaties en voor de vraag wie er (nog) voor een relatie in aanmerking komt, maar ook voor de kwaliteit van de relaties. Daarom stelt de WRR die kwaliteit centraal in zijn rapport. Het hebben van een relatie is namelijk goed, zowel voor het inkomen en het zelfrespect van individuen als voor de samenleving. Maar dit geldt vooral als de relatie ook een goede relatie is.

Wij zijn het van harte eens met de WRR en beter dan te proberen om het rapport in onze woorden te vertalen geven we hieronder een citaat eruit, dat de kern goed weergeeft:

Een goede partnerrelatie is grip hebben

Wat is een goede partnerrelatie? Uit de wetenschappelijke literatuur destilleren we drie belangrijke condities voor een goede partnerrelatie; condities die goed passen bij de aard van de Nederlanders en bij de wensen en verwachtingen van mensen in de samenleving.
1. Grip op geld. Een goede partnerrelatie is een relatie die voldoende (financiële) zekerheid oplevert, ook in verhouding tot anderen en op de lange termijn.
2. Grip op de relatie. Een goede partnerrelatie is een relatie met een zekere individuele vrijheid, waarbij een beroep wordt gedaan op onze capaciteiten en goede sociale contacten worden onderhouden.
3. Grip op het leven. Een goede partnerrelatie is een relatie met voldoende tijd en ruimte voor zorgtaken en hobby's.

Grip op geld, grip op de relatie en grip op het leven zijn alle drie noodzakelijk voor een goede partnerrelatie. Als hieraan niet wordt voldaan, is dit nadelig voor het individu en voor zijn of haar gezin, en kan dit leiden tot hoge maatschappelijke kosten.

Goede partnerrelaties vergroten het welzijn en de gezondheid van mensen en hun betrokkenheid, en dit draagt bij aan goed functionerende, stabiele gezinnen. Goede partnerrelaties dragen er ook aan bij dat mensen langer kunnen doorwerken en dat de kosten van de gezondheidzorg beperkt blijven. En goede partnerrelaties voor iedereen is tot slot beter voor de sociale samenhang. Mensen zijn dan beter in staat zich te verbinden met de samenleving als geheel. Voor de sociale samenhang is het dus het beste als iedereen een goede partnerrelatie heeft.


Dat laatste (iedereen een goede relatie) is bepaald nog niet het geval. De WRR wijst erop dat ongeveer 1 miljoen mensen een relatie zouden willen en het ook aan zouden kunnen, maar er geen kunnen vinden. Daarnaast zijn er 1,6 miljoen mensen die in een relatie zitten die hen geen voldoening brengt.
Ondanks deze onthutsende cijfers investeert de Nederlandse overheid nauwelijks in actief relatiebeleid, ook in vergelijking met andere landen in Europa. En dat terwijl het hebben van een relatie enorm belangrijk is voor het welbevinden van mensen en voor de sociale samenhang in ons land. Als relaties psychologisch en sociaal zo belangrijk zijn, kunnen we mensen niet in de kou laten liggen. Het sluitstuk van het sociale overheidsbeleid zou daarom niet een uitkering voor een alleenstaande moeten zijn, maar een basisrelatie.

Na die veelbelovende analyse waren wij uiteraard zeer benieuwd naar de uitwerking van de oplossing. Hoe gaat zo'n 'basisrelatie' eruit zien, is die relatie voor onbepaalde tijd of moeten we -net als nu- blijven zoeken naar een betere? En hoe komen we aan zo'n basisrelatie, wordt die ons aangeboden of moeten we zelf op zoek? En als we er geen vinden, raken we dan onze alleenstaandenuitkering kwijt?
De WRR zegt daarover alleen, in het modieuze consultantsjargon, dat erop 'ingezet' moet worden. De basisrelatie moet volgens de WRR niet gericht zijn op doorstroming, maar gericht op andere doelen, zoals welbevinden, sociale contacten, erbij horen, gezondheidswinst en zelfrespect.
Allemaal goed en wel, maar hoe zit het met de seks?


donderdag 2 januari 2020

Pas de deux: CAO-lonen en consumentenprijzen


Eind vorige maand rapporteerde mijn favoriete landelijke bestuursorgaan, het CBS, cijfers over de grootste stijging van de CAO-lonen in tien jaar tijd. Uiteraard nog niet over het gehele jaar 2019, die cijfers komen later.
Het CBS doet wat alle media zouden moeten doen bij berichtgeving over economische groei, lonen, koopkracht en dergelijke, namelijk de prijsstijging (de CPI) erin meenemen. Hetzij direct verdisconteerd, hetzij ter vergelijking ernaast, zoals het CBS in dit geval heeft gedaan.
Want we willen niet weten welk getal er op ons loonstrookje staat, maar of we er in reëel besteedbaar inkomen op vooruit gaan. Wat dat betreft is deze CBS rapportage eigenlijk nog te beperkt, omdat de ingrepen van de overheid er niet in meegenomen zijn. Loon- en inkomstenbelasting (inclusief geschuif met heffingskortingen), accijnzen, BTW, energiebelasting, OZB, Zorgpremie, eigen risico etc. Die hebben ook nogal wat invloed op het inkomen dat we werkelijk vrij te besteden overhouden va ons CAO-loon.
Niettemin zijn de nieuwe cijfers interessant, vooral ook omdat het CBS een overzicht geeft over de laatste elf jaar (2009 t/m 2019).
Ik presenteer ze hier op een iets andere manier, door ze samen te nemen in een percentage dat laat zien of de reële lonen (CAO minus prijsstijgingen) er in beginsel op vooruit of op achteruit gaan.


De grafiek start bij 2009, op het moment van de crisis, toen kort daarvoor de CAO-afspraken nog in jubelstemming tot stand waren gekomen. De domper kwam daarna en duurde tot 2014. De top van 2016 lag net onder die van 2009 en nadien zakte het weer in. Eind 2019 is de vooruitgang weer verdwenen: een tiende procent negatief.
Uiteraard gaat het hier niet over alle Nederlanders, maar alleen over de werknemers die onder een CAO vallen. De werknemers zonder CAO en de zelfstandigen vallen erbuiten.
De grafiek wordt interessanter als we ook die erbij betrekken. Dat relativeert de bovenstaande grafiek van de CAO-lonen enigszins; die ziet er wel tamelijk spectaculair uit, maar dat ligt voornamelijk aan de schaalgrootte. Daarom heb ik dezelfde cijfers in onderstaande grafiek gecombineerd met de inkomensmutaties van de zelfstandigen (met en zonder personeel). We zien dat de inkomens van de zelfstandigen heftiger verloopt dan die van de werknemers. Ze reageren veel directer op de economische ontwikkelingen en ze vertonen hogere pieken en diepere dalen.


De ontwikkeling van de reële CAO-lonen is in vergelijking tot de inkomens van de zelfstandigen tamelijk gelijkmatig. Die van de zelfstandigen dansen eromheen. Beide curves eindigen in neerwaartse richting. Het valt te bezien of die trend zich in dit nieuwe jaar gaat voortzetten of dat we wellicht een positieve wending te zien krijgen.

donderdag 26 december 2019

Vergrijzingsstudie CPB; wat als we (weer) niets (nieuws) doen?


Eens in de vier à vijf jaar publiceert het CPB een zogenaamde 'vergrijzingsstudie'. Wij Nederlanders maken er namelijk een gewoonte van om steeds langer te leven. En dat is duur, zowel voor onszelf als voor de overheid, die daardoor steeds meer geld kwijt is aan AOW-uitkeringen. Ook de zorgkosten nemen door de vergrijzing toe, want ouderdom komt met gebreken. Die gebreken moeten zo lang mogelijk behandeld worden, want zoals bekend mogen we van onze overheid niet zomaar zelf bepalen wanneer we dood gaan, maar dat terzijde.

Dat het Centraal Planbureau met deze studie komt is heel nuttig, want daardoor kan de overheid tijdig op de kostenstijging inspelen. In principe kan dat op twee manieren, namelijk door de uitgaven te beperken en/of door de inkomsten te verhogen. De overheid doet meestal beide.
Het CPB geeft opties aan, maar maakt geen keuzes, dat is de taak van de politiek. Bij alle rapportages van het Planbureau is dat het geval. Anders dan zijn naam doet vermoeden komt het CPB nooit met een plan. Soms is dat maar goed ook, want als het bijvoorbeeld gaat om werkgelegenheidsbeleid blijft het CPB hardnekkig vasthouden aan zijn bekende misvatting dat verlaging van de uitkeringen automatisch leidt tot meer banen. Ook in dit rapport blijkt dat: "Door de lagere uitkeringen bieden meer mensen zich aan op de arbeidsmarkt en stijgt de werkgelegenheid met 0,6%."
En we hadden ze een paar jaar geleden nog zo goed -met cijfers onderbouwd- uitgelegd dat niet de werkgelegenheid de arbeidsparticipatie volgt, maar dat het precies andersom is.

Ook aan de andere kant van het verhaal, een eventuele verhoging van de (belasting-)inkomsten van de overheid, geeft het CPB blijk van hardnekkigheid. Er zijn volgens het CPB maar twee mogelijkheden: verhoging van de BTW of verhoging van de loon- en inkomstenbelasting. Dat heeft economisch gezien een remmende werking want, schrijft het CBP: "In beide varianten zijn de uiteindelijke opbrengsten kleiner dan het initiële effect, omdat huishoudens door de hogere lasten minder zullen consumeren en zich minder zullen aanbieden op de arbeidsmarkt."
Het CPB durft niet te denken aan andere, nu nog niet bestaande varianten van belastingheffing. Of aan het meer en efficiënter heffen van belasting op vermogen. In het rapport wordt dan ook wèl gewag gemaakt van effecten op de inkomensongelijkheid via ons brave Nederlandse rapportcijfer van de zogenaamde 'gini-coëfficient', maar over onze extreme vermogensongelijkheid geen woord.
Alles wat het CPB schrijft is gebaseerd op ons huidige stelsel. Wezenlijke wijzigingen aan dat stelsel worden niet besproken, alleen wijziging van tarieven en andere grootheden binnen dat stelsel. Nee, voor 'out of the box' denken moeten we het niet hebben van het CPB.


donderdag 25 april 2019

Laf rapport van de OESO (OECD) over robotisering


Vandaag heeft de OESO een rapport aangekondigd over het effect van robotisering in de komende twintig jaar. Nieuwsmedia die daarover berichten op basis van een preview maken melding van een paar 'spectaculaire' cijfers. Van de bestaande banen zou in de komende twee decennia zo'n 14% worden bedreigd en nog eens 32% zou aan ingrijpende verandering worden onderworpen.
Deze cijfers gaan gepaard met waarschuwingen van de OESO aan werknemers en overheden om zich beter op deze veranderingen voor te bereiden. Secretaris-Generaal Gurria van de OESO noemt dit in zijn voorwoord zelfs een tikkende tijdbom op sociaal en politiek niveau. Er zou volgens hem meer aandacht moeten worden besteed aan training van werknemers, met name op het gebied van ICT.

Waarom noem ik dit een "laf rapport"?
Omdat het in de kern niets nieuws bevat en voorbij gaat aan de sociaal en politiek veel belangrijker vraag: wat is het effect van technologische innovatie op de aard en -vooral- het volume van de werkgelegenheid.
Daar wil of kan de OESO blijkbaar niets zinnigs over zeggen. De mainstream economen en in hun kielzog de politici, menen dat de vervanging van banen door technologie, wat een klassiek verschijnsel is, qua volume geen probleem is omdat er minstens evenveel nieuwe banen voor terug zouden komen. De omvang van de werkgelegenheid zou er dus niet onder lijden, alleen zal er aan de banen inhoudelijk het een en ander veranderen. De OESO lijkt dat ook te denken. Maar dan is het wel wat merkwaardig dat de OESO alleen pleit voor training op ICT gebied. Waarom zouden al die nieuwe banen (minstens 14%) vooral ICT vaardigheden eisen? Misschien zijn het wel heel andere banen: kappers, personal coaches, horeca, entertainment, whatever. In dat soort banen staat ICT helemaal niet centraal.
Onderzoek doen naar de zaken die we allang weten heeft vrij weinig toegevoegde waarde, maar is natuurlijk tamelijk risicoloos terwijl je er toch de aandacht mee kunt trekken.

Waar we wèl behoefte aan hebben is onderzoek naar die nieuwe banen. Wat voor banen zijn dat, hoeveel zijn het er en welke vaardigheden vragen die van de werknemers. Dààr zouden we iets mee opschieten.
Maar ook de OESO helpt ons op dat punt niet verder, helaas.

maandag 29 oktober 2018

#wilwelwatmaarweetookalniethoe: Kate Raworth

Regelmatig zijn er deskundigen, vaak politici en oud-politici, die ons vertellen wat er volgens hen moet gebeuren. Hun bijdrage aan het publieke debat moet althans die indruk wekken. Heel vaak echter, weten ze wel te vertellen welke doelen we zouden moeten nastreven, maar hebben ze blijkbaar geen idee hoe we die doelen kunnen bereiken. Hoe verstandig de doelen ook gekozen mogen zijn, op die manier is hun bijdrage niet meer dan een vorm van wensdenken waarmee we niet veel opschieten. We rangschikken ze daarom onder de hashtag #wilwelwatmaarweetookalniethoe.

Deze keer: Kate Raworth

Wie streeft naar bekendheid bij het grote publiek moet geen econoom worden. En het bereiken van een sterrenstatus is in dat beroep nog veel moeilijker. De uitzonderingen op die regel zijn dan ook schaars. We kennen natuurlijk nobelprijswinnaar Paul Krugman, maar die lijkt zijn bekendheid meer te danken te hebben aan zijn columns in de New York Times dan aan zijn wetenschappelijke werk. En we kennen Thomas Piketty, de Franse econoom die een paar jaar geleden in ruim zevenhonderd pagina's wist uit te leggen dat (en een héél klein beetje waarom) in ons huidige economische bestel de rijken steeds rijker worden. Dat was een dermate nieuwe gedachte dat zijn boeken als warme broodjes over de toonbank gingen.
En nu is er zowaar een nieuwe kandidaat, namelijk de Engelse Oxford-econoom Kate Raworth, wier boek "De Donuteconomie" momenteel de wereld verovert. Raworth begint de sterrenstatus al aardig te benaderen, met een -inderdaad- aansprekend verhaal over de noodzaak om onze economie te positioneren tussen enerzijds de basisbehoeften van de burgers en anderzijds de maximale ecologische draagkracht van onze planeet. Simpel gezegd, als niet wordt voorzien in onze basisbehoeften gaan we naar de bliksem en als we roofbouw blijven plegen op onze planeet ook.
Raworth maakt een grafische voorstelling van dit principe in de vorm van twee concentrische cirkels, waardoor het beeld van een Donut (rond broodje met een gat in het midden) ontstaat.

Dat Raworth alreeds grote bekendheid geniet (maar nog nét niet de top heeft bereikt) blijkt uit het feit dat recent een interview met haar is verschenen in het blad "Maarten", inderdaad, van onze nationale knuffel(brom)beer, emeritus hoogleraar geschiedenis te Utrecht, prof. dr. Maarten van Rossum.
Dit blad komt vier  keer per jaar uit en is wat mij betreft beslist een aanrader. Voor het september-november nummer (2018-3) heeft Alies Pegtel aan Kate Raworth een aantal vragen gesteld over haar boek en de visie erachter. Daarbij gaat het -weinig verrassend- over de negatieve gevolgen van het neo-liberale model op sociaal en ecologisch gebied. En de grenzen die we daarbij genaderd zijn en wellicht zelfs al hebben overschreden.

Maar niet alleen daarover.
Op de vraag of ze verrast was door de enorme respons antwoordde Raworth in alle bescheidenheid dat ze inderdaad erg verrast was, maar dat ze zo'n respons bij nader inzien ook eigenlijk wel heel logisch vond. Vervolgens pakt de interviewster direct door en vraagt Raworth naar de praktische toepasbaarheid van haar Donut. "Met andere woorden, hoe verdonutten we de economie?"
Daarop weet Raworth niets anders te antwoorden dan dat ze het een 'belangwekkende vraag" vindt, maar dat ze nou eenmaal geen politicus of beleidsmaker is. Haar doel is niet om het concreet in te vullen, "dat moeten anderen maar doen".

De grote publieke belangstelling voor dit boek en boeken met fraaie vergezichten in het algemeen, kan ik op zich best begrijpen; grote ideeën kunnen inspireren. Wat mij echter blijft verbazen is de volstrekte desinteresse in praktisch uitvoerbare plannen. Raworth weet blijkbaar ook dat je niet kunt scoren met concrete plannen en schaamt zich dan ook absoluut niet voor de afwezigheid daarvan in haar boek.
Niettemin krijgt ze bij deze een nominatie in de rubriek #wilwelwatmaarweetookalniethoe.

maandag 1 oktober 2018

Het basisinkomen is dood, leve het pseudo-basisinkomen!


Onder een basisinkomen verstonden we ooit een uitkering in geld, door de staat betaald uit de belastingopbrengst, aan iedere legale ingezetene, zonder verdere voorwaarden en voor onbepaalde tijd. Dat idee van een -echt- basisinkomen is dood, niemand meer die er tegenwoordig nog voor pleit.
Nou ja, wij dan, maar verder niemand.

We hadden Rutger Bregman, de historicus/journalist die er een boek over schreef en daarmee veel binnen- en buitenlandse aandacht trok. Zozeer zelfs, dat hij alom met het onderwerp werd vereenzelvigd. Iets waar hij overigens heel weinig bezwaar tegen leek te hebben. Bregman pleit inmiddels niet meer voor een basisinkomen, maar voor een soort voorwaardenluwe bijstandsuitkering, te berekenen en uit te betalen door de fiscus. Hij noemt dat geen basisinkomen, maar "Basiszekerheid".

Ook de Vereniging Basisinkomen, die al meer dan een kwart eeuw pleit voor een -echt- basisinkomen (en dat volgens haar website nog steeds doet) is van het rechte pad afgedwaald. Zo lijkt het althans, als we zien dat de voorzitter enthousiast pleit voor een soort "gezins-basisinkomen".

Dan is er nog de Basisinkomenpartij, die meedeed aan de laatste kamerverkiezingen, in een alliantie met twee andere splinters, in totaal goed voor maar liefst 726 stemmen. Van deze politieke partij, die zich nota bene naar het basisinkomen heeft vernoemd, zou je toch een vurig pleidooi verwachten voor een -echt- basisinkomen, maar ook daar is het begrip verwaterd. De Basisinkomenpartij pleit voor een inkomensafhankelijk "basisinkomen", wat natuurlijk een contradictie is.

Terwijl er dus voor een -echt- basisinkomen nauwelijks of geen pleitbezorgers meer zijn zien we tegelijkertijd een zeldzame hausse aan ideeën en experimenten die met een -echt- basisinkomen weinig tot niets van doen hebben, maar waaraan wel het woord "basisinkomen" wordt verbonden.

We hadden in Groningen een 'experiment' met een 'basisinkomen', waar twee maal een persoon gedurende een jaar 1000 euro per maand kreeg, gefinancierd uit een collecte (zelf noemden de organisatoren het natuurlijk geen collecte, maar 'crowdfunding'). De gulheid van de gevers nam snel af en het is voor zover mij bekend bij twee keer gebleven.

We hebben in diverse gemeenten 'experimenten' met een 'basisinkomen', die simpelweg pogingen zijn om een bepaalde groep bijstandsgerechtigden die kansloos zijn gebleken op de arbeidsmarkt, vrij te stellen van de -voor hen- zinloze sollicitatie-rimram.

We hadden in Finland een 'experiment' met een 'basisinkomen' voor een beperkte selectie van werklozen. Dat 'experiment' is voortijdig beëindigd.

We krijgen in Zwitserland een 'experiment' met een 'basisinkomen', georganiseerd (via een collecte, herstel 'crowdfunding') door een cineaste die er een film over wil maken.

We hebben de nieuwe Italiaanse regering, die zegt een 'basisinkomen' te willen invoeren, waarvan zo ongeveer alle specificaties nog onduidelijk zijn, maar het lijkt ook daar gewoon te gaan om een bijstandsuitkering, inclusief sollicitatieverplichting.

En tenslotte heeft ook de Franse president de wervende potentie van het woord 'basisinkomen' ontdekt. Macron, die tijdens zijn verkiezingscampagne fel stelling nam tégen een -echt- basisinkomen, wil nu een pseudo-basisinkomen invoeren, dat hij "Revenu Universel d'Activité" heeft genoemd. Het is alleen voor behoeftigen en er zijn inspanningsverplichtingen aan verbonden, dus het heeft niets met een -echt- basisinkomen te maken, maar het begrip "Revenu Universel", leent zich in de ogen van Macron blijkbaar wel voor propagandistische doeleinden.
Zijn extreem-linkse politieke opponent Mélenchon, van "La France Insoumise", die wel pleit voor een -echt- basisinkomen (en voor een aantal catastrofale andere maatregelen), heeft de verleiding niet kunnen weerstaan om het 'Universele Activiteitsinkomen' van Macron maar vast om te dopen in "La corvée Universelle" (Universeel corvee), hetgeen de lading inderdaad veel beter dekt.

Wat is dat toch met het basisinkomen? Niemand wil het (echt), maar iedereen wil erover praten of op zijn minst wat spelen met de gedachte.
Laten we hopen dat er niet op een onbewaakt ogenblik een of andere spelbreker op de proppen komt met een concreet uitvoerbaar plan voor de introductie van een -echt- basisinkomen. Dat zou ons hardhandig wakker schudden uit deze prachtige droom en ons dwingen om een keuze te maken en met die keuze aan de gang te gaan.
Zo zou ons leven wel heel erg saai worden.

dinsdag 21 augustus 2018

Raadselachtig rapport ING over beïnvloedbaarheid van onze opinie inzake een basisinkomen


Het "Economisch bureau" van de ING bank wilde weten hoe Nederland denkt over "het concept basisinkomen". Waarom precies daarover en bijvoorbeeld niet over 'het concept afschaffing dividendbelasting', of 'het concept optrekking van het lage BTW-tarief', of over een ander economisch thema dat de gemoederen bezig houdt? We weten het niet, want de ING heeft deze bijzondere keuze niet nader toegelicht.
Eén ding weten we wel, namelijk dat men in de boezem van de ING dit een belangrijk item moet vinden, want men is daar niet gewend om geld over de balk te smijten. Integendeel; er zijn al heel wat banen geschrapt, niet uit geldgebrek, maar omdat ze door nieuwe automatisering konden worden vervangen.

Opmerkelijk is, dat de ING mensen naar hun mening vraagt over iets dat helemaal niet bestaat, namelijk "het" concept basisinkomen. Het begrip basisinkomen wordt op allerlei manieren ingevuld. Er is helemaal geen eenduidige definitie die door iedereen wordt gehanteerd.
Dat was voor de ING geen probleem, integendeel. Het maakte het alleen maar makkelijker om het resultaat op te halen dat gewenst werd.
Want wat blijkt?
Mensen zijn in meerderheid voor een basisinkomen, totdat de ING hen gaat uitleggen wat het basisinkomen -volgens de ING- inhoudt. En ze zijn er zelfs in meerderheid tegen zodra de ING hen heeft uitgelegd wat het hen -volgens de ING- allemaal gaat kosten. Wat het onderzoek dus vooral aantoont is dat de gemiddelde Nederlander makkelijk te bewegen valt om zich te keren tegen invoering van een basisinkomen. Genoeg dus over dat zogenaamde 'onderzoek' van de ING.

Interessanter is de vraag waarom de ING op deze manier probeert om stemming te maken tegen invoering van een basisinkomen. Antwoord op die vraag krijgen we natuurlijk niet, dus het blijft speculeren. Denkt de ING als bedrijf schade te gaan ondervinden van een basisinkomen, bijvoorbeeld als dat basisinkomen via een overheidsbank zou worden uitbetaald en mensen in meerderheid via die overheidsbank ook hun andere bankzaken zouden gaan doen?

Denkt de ING dat zijn meest vermogende klanten zich zorgen maken, vanuit de gedachte dat zij de rekening moeten gaan betalen? En denkt de ING deze klanten aan zich te binden door namens hen maar vast vroegtijdig ten strijde te trekken tegen een basisinkomen?

Of klotst het geld inmiddels toch zo hoog tegen de wanden van de directiekamer, dat een deel daarvan wel kan worden uitgegeven aan een onzin-onderzoek?

Zou allemaal kunnen.

Tenslotte kunnen we deze actie ook positief duiden: kennelijk is het percentage Nederlanders dat inmiddels gecharmeerd is geraakt van het idee zo groot, dat het gevaarlijk dicht in de buurt van een meerderheid begint te komen.