woensdag 20 mei 2020

I&O Research peilt: Steun voor een basisinkomen opnieuw gedaald


Enquêtebureau I&O Research heeft voor de derde keer, in opdracht van de Vereniging Basisinkomen, onderzocht hoe de Nederlanders aankijken tegen het idee van een basisinkomen.
Drie keer, in april 2016, in september 2019 en nu opnieuw in mei 2020 is aan de respondenten op dezelfde manier gevraagd of ze voor of tegen invoering van een basisinkomen zijn.
I&OResearch rapporteert daarover met de kop: "Basisinkomen: nu meer voor- dan tegenstanders".
Maar daar had ook kunnen staan: "Percentage voorstanders basisinkomen opnieuw gedaald". Is dat niet tegenstrijdig? Nee hoor, beide conclusies zijn correct, hoewel in die van I&O het woordje "nu" enigszins verwarrend is, alsof er nu pas meer voor- dan tegenstanders zouden zijn. Dat was echter in 2019 ook al het geval.

Het percentage voorstanders is telkens gedaald, van 40% via 38% naar 36%.
Het percentage tegenstanders is ook telkens -en harder- gedaald, van 45% via 37% naar 32%.
Snelle rekenaars begrijpen dan dat de categorie "weet ik niet" moet zijn gestegen. Inderdaad, van 15% via 26% naar 32%. Terwijl de laatste jaren het begrip 'basisinkomen' veel meer aandacht en bekendheid heeft gekregen zeggen we dus vaker dat we niet weten of we dat wel willen.
Dat is een opmerkelijke trend, die niet zo makkelijk te duiden valt.

Vanuit mijn optimistische aard ben ik geneigd om de uitkomst positief te interpreteren: kennelijk zijn we sinds 2016 veel beter gaan snappen wat een basisinkomen inhoudt en snappen we ook dat het ene basisinkomen het andere niet is. We begrijpen dan dat een vraag over invoering van een niet nader gespecificeerd basisinkomen eigenlijk een onzinnige vraag is, waarop het enig juiste antwoord luidt: "weet ik niet".
Als die interpretatie klopt dan zou dit resultaat pure winst zijn. We hebben het dan niet meer over een magisch wondermiddel waarmee alle problemen van de mensheid opgelost worden, maar over een fundamentele wijziging van onze sociaal-economie, die niet per definitie een verbetering is.
Het kàn een verbetering zijn, maar dat hangt volledig af van de wijze van financiering en van de inpassing in ons fiscale stelsel. Laten we het daar dus over hebben.

woensdag 15 april 2020

Open brief aan Alexander de Roo


Beste Alexander,

Als voorzitter van de Vereniging Basisinkomen is het jouw taak om te pleiten voor invoering van een basisinkomen, dat begrijp ik. Dat je in je pleidooien de zaken vaak wat simpeler en rooskleuriger voorstelt dan ze zijn, dat begrijp ik daarom ook wel. En dat je het momentum van de Coronacrisis aangrijpt om je pleidooi kracht bij te zetten, zelfs daar heb ik begrip voor. Maar dan houdt het zo ongeveer op.
Ten eerste begrijp ik niet waarom jij je met ziel en zaligheid verbonden hebt aan het idee voor een gezinsbasisinkomen, door jou "Basisinkomen 2,0" genoemd. Alsof er geen andere en betere voorstellen zijn, die wél voldoen aan jullie eigen definitie van een basisinkomen.
Zelfs als die er niet zouden zijn, dan nog zou je niet moeten pleiten voor een basisinkomen dat de welvaartsongelijkheid doet toenemen en dat de uitvoering fraudegevoelig en bewerkelijk maakt.

Voordat het "Basisinkomen 2.0" door D66 werd aangeboden aan het CPB, heb je het laten bekijken door het Nibud. Dat was een prima idee. Maar het resultaat was een rammelend rapport, dat werd gepresenteerd als teken dat het voorstel financieel haalbaar was en dat de inkomenseffecten acceptabel zouden zijn. Ik heb het niet over de rekenfout van drie miljard in het financieringsoverzicht vanwege het ten onrechte als inverdieneffect meetellen van de afschaffing van het eigenwoningforfait. Ik heb het met name over het effect op de inkomens. Juist op dat punt, toch de expertise van het Nibud, is het rapport zeer onvolledig. Het kijkt alleen naar de situatie van mensen beneden de pensioenleeftijd, niet naar die van de gepensioneerden.
Maar goed, de effecten voor de beroepsbevolking staan er wel in. Die laten zien dat de huidige bijstandsgerechtigden, de groep waar zich een groot deel van de armoede in Nederland bevindt, er per maand een paar tientjes bij zouden krijgen. Volgens het SCP komen arme gezinnen gemiddeld 200 euro per maand tekort, dus dat schiet niet echt op.
De hogere inkomens gaan er veel meer op vooruit dan een paar tientjes. Vooral de gezinnen met één verdienende partner; die gaan er meer dan duizend euro per maand netto op vooruit. Zelfs een alleenstaande die een ton per jaar verdient gaat er nog steeds (in euro's) meer dan het dubbele op vooruit ten opzichte van een alleenstaande in de bijstand, ondanks dat zogenaamde 'toptarief', dat zich pas laat voelen boven de 80.000 bruto per jaar.
Je pleit dus voor denivellering. Niet minder, maar juist méér inkomensongelijkheid. Waarom is dat nodig? En waarom zeggen voorstanders bij voortduring dat een basisinkomen helpt bij het streven naar een eerlijker welvaartsverdeling? Met jouw plan komt daar in elk geval niets van terecht.

En dan de gepensioneerden. Ik begrijp om te beginnen al niet waarom het bestaande gezinsbasisinkomen dat we kennen onder de naam AOW zonodig vervangen moet worden door jouw gezinsbasisinkomen 2.0 Zoals de Angelsaksen zeggen: 'If it ain't broke, don't fix it. Mede daarom heb ik eens preciezer gekeken naar de gevolgen van dat Basisinkomen 2.0 voor de gepensioneerden.
Nou, die gaan er bijna allemaal op achteruit in jouw plan. De mensen zonder enig aanvullend pensioen het meest. Een alleenstaande met een 'kale' AOW levert 161 euro per maand in ten opzichte van de huidige norm en een samenwonend stel 66-plussers gaat er 118 euro per maand op achteruit. De zorgtoeslag meegeteld. De huurtoeslag uiteraard niet, want die blijft in jouw plan bestaan. Het wordt de nieuwe bijstandsregeling; afhankelijk niet alleen van de hoogte van de huur, maar ook van de hoogte van het inkomen en het vermogen en van de gezinssamenstelling. Eigenlijk ontbreekt alleen de sollicitatieplicht.

De ouderen die tijdens hun werkzame leven tot het modale segment behoorden en die bij maximale opbouw een inkomen (AOW plus aanvullend pensioen) hebben van rond 36000 euro bruto per jaar, blijven ongeveer gelijk in netto inkomen. Daaronder gaan alle gepensioneerden er bij jou op achteruit en dat is verreweg de grootste groep. Voor de veel kleinere groep met een pensioen boven de 36000 euro per jaar is er wel vooruitgang. Wie een bruto (AOW plus aanvullend pensioen) heeft van 72000 euro per jaar (zo'n hoog pensioen is tamelijk uitzonderlijk) gaat er wél op vooruit, met 4 à 5 procent. Ook hier dus een forse denivellering, maar wat veel ernstiger is, een forse achteruitgang voor de allerarmsten!
Beweren de voorstanders niet altijd dat met een basisinkomen de armoede kan worden bestreden? Met dit plan lukt dat in elk geval niet.

Over de financiering kunnen we nog geen conclusies trekken, daarvoor zullen we moeten wachten op het CPB-rapport. Misschien dat de korting op de pensioenen kan bijdragen aan het beperken van de kosten van de inkomensvermeerdering bij de werkenden. Dat kan politiek nog een leuk debat opleveren tussen D66 en 50PLUS. Op de GroenLinkse tribune zal dat met belangstelling worden gevolgd neem ik aan.
Overigens ben ik ervan overtuigd dat vergroting van de armoede en toename van de welvaartsongelijkheid door jou niet wordt beoogd, maar is er binnen jullie vereniging nou werkelijk niemand die een spreadsheet kan inrichten?
Of is het zoeken naar de heilige graal van het basisinkomen zo allesoverheersend dat er blindheid ontstaat voor de nadelige invloed op de hoogte en de verdeling van de inkomens?
Dit hebben onze meest behoeftige medeburgers niet verdiend.

Met vriendelijke groet,

Bert Voorneveld


woensdag 18 maart 2020

Opgepast: het basisinkomen gaat viraal!


Bijna de hele wereld worstelt met het Coronavirus en de draconische maatregelen die in dat kader genomen moeten worden hebben grote gevolgen op allerlei gebied. Daarom worden in tal van landen niet alleen actieplannen gemaakt ter bestrijding van de pandemie, maar ook ter ondersteuning van de economie, meer speciaal ter ondersteuning van de burgers en de bedrijven.
In verschillende landen is aangekondigd dat de ondersteuning van de burgers mede plaats zal vinden in de vorm van een uitkering in geld, rechtstreeks van de overheid naar de burger. Berichten in de reguliere media en ook veel berichten in de sociale media maken daarom in dat kader regelmatig de vergelijking met het basisinkomen. Ondanks het feit dat in geen enkel land een maatregel wordt genomen die neerkomt op invoering van een -werkelijk- basisinkomen.
Maar de voorstanders van een basisinkomen, die jarenlang gewend waren om hun pleidooi aan dovemansoren te richten, zijn laaiend enthousiast.
Ze zien ineens overal een 'basisinkomen' opduiken, terwijl geen van de aangekondigde maatregelen ook maar in de buurt komt van de definitie van een basisinkomen. Ook wordt hier en daar op zo'n maatregel het label 'helikoptergeld' geplakt (Milton Friedman lééft!). Die term is evenmin van toepassing, want het geld dat in het vooruitzicht wordt gesteld zal niet door de centrale bank worden geleverd (monetair gefinancierd), maar door de overheid geleend op de kapitaalmarkt. Ten koste van een hoger begrotingstekort en dus een hogere staatsschuld. De aangekondigde maatregelen zijn ook overal incidenteel, of minstens tijdelijk, voor de duur van de coronacrisis.
Al het enthousiasme van de voorstanders van een basisinkomen is dus eigenlijk onterecht. Het kan zelfs schadelijk zijn voor hun streven, omdat bij de massa een verkeerd beeld ontstaat van het basisinkomen en van het doel dat ermee wordt beoogd. Dat gevaar is des te groter omdat er onder de voorstanders vele varianten van het basisinkomen circuleren waar geen schijn van overeenstemming over bestaat. Het lijkt er niet op dat uit die varianten op enige afzienbare termijn de meest gewenste variant zal worden gekozen. Tot dusver was dit geen enkel probleem, want de geesten waren bepaald nog niet rijp voor het idee. Maar nu dat langzaam begint te veranderen en grotere groepen er in principe voor lijken te voelen, wordt het tijd om een keuze te maken. Als die keuze achterwege blijft is de kans groot dat het momentum straks weer voorbij is of, veel vervelender, dat er een variant wordt ingevoerd waar we heel veel spijt van gaan krijgen.


maandag 9 maart 2020

#wilwelwatmaarweetookalniethoe: Marike Stellinga


Regelmatig zijn er deskundigen, vaak politici en oud-politici, die ons vertellen wat er volgens hen moet gebeuren. Hun bijdrage aan het publieke debat moet althans die indruk wekken. Heel vaak echter, weten ze wel te vertellen welke doelen we zouden moeten nastreven, maar hebben ze blijkbaar geen idee hoe we die doelen kunnen bereiken. Hoe verstandig de doelen ook gekozen mogen zijn, op die manier is hun bijdrage niet meer dan een vorm van wensdenken waarmee we niet veel opschieten. We rangschikken ze daarom onder de hashtag #wilwelwatmaarweetookalniethoe.

Deze keer: Marike Stellinga

Marike Stellinga is chef van de economieredactie van de NRC. Afgelopen zaterdag schreef ze in haar krant over het onderwijs. Het onderwijs ziet zij als "De Grote Gelijkmaker" en dat is volgens Stellinga blijkbaar ter ziele, want ze pleit ervoor om deze Grote Gelijkmaker te laten "herrijzen".
Met de term "Gelijkmaker" bedoelt ze, dat het onderwijs ervoor kan zorgen dat je als kind van lager opgeleide ouders toch een hogere opleiding en dus een hoger leefniveau kunt bereiken. Dat je zoals Stellinga schrijft, "van een dubbeltje een kwartje kan worden". Het onderwijs kan "kinderen optillen, ongeacht het gezin waaruit ze komen". Kortom, Stellinga is nog helemaal vervuld van het aloude 'verheffingsideaal', zoals dat vooral na de tweede wereldoorlog breed werd gedragen.
Dit verheffingsideaal kunnen we loslaten. Niet omdat het verkeerd zou zijn, maar omdat het uitgangspunt waarop het was gebaseerd, inmiddels nauwelijks meer geldig is. Kinderen van armere, laagopgeleide ouders gingen vaak op hun beurt ook een lagere opleiding volgen en kwamen dus ook in lager betaalde banen terecht, net als hun ouders. Dat was niet omdat ze de capaciteiten misten voor een hogere opleiding, maar omdat enerzijds de middelen ontbraken voor een hogere (vaak ook langduriger) opleiding en anderzijds omdat binnen de destijds aanwezige sociale context niets anders van ze werd verwacht. Hun achterblijven was dus een gevolg van de bestaande ongelijkheid in kansen.
Dat is niet of nauwelijks meer het geval. Gedurende decennia van onderwijsvernieuwing en financiële ondersteuning hebben de naoorlogse generaties dezelfde kansen gekregen en die hebben ze benut om hetzelfde niveau te bereiken als kinderen van rijkere ouders.

Niettemin signaleert Stellinga een hardnekkig probleem, verwijzend naar rapportage van het CPB, namelijk dat het percentage 15-jarigen dat niet goed kan lezen, hoog is en nog (of weer?) toeneemt. Op die constatering valt niets af te dingen, maar op de oorzaken die ze noemt wel. Minder goed onderwijs op scholen in kansarme buurten. Met een groter lerarentekort en meer lesuitval. Dat zijn reële problemen die opgelost moeten worden, maar ze zijn er niet de oorzaak van dat die kinderen zo moeilijk van een dubbeltje een kwartje worden. De Utrechtse psycholoog en filosoof Kees Vuyk heeft dat uitgelegd in zijn boek: "Oude en nieuwe ongelijkheid, over het failliet van het verheffingsideaal" (2017). Zelf zou ik het woord "failliet" niet gebruiken, want de nieuwe ongelijkheid waar Vuyk op doelt is niet het gevolg van falen van het streven naar verheffing van kinderen uit de lagere sociale klassen, maar meer van het succes ervan. De nieuwe ongelijkheid wordt niet veroorzaakt door ongelijke kansen, maar door ongelijke intellectuele aanleg. Dat is het resultaat van selectiemechanismen in de samenleving die ervoor zorgen dat intelligent trouwt met intelligent en dus overwegend intelligent(er)e kinderen voortbrengt. Die trouwen op hun beurt weer met intelligent(er)e partners, enzovoort.
Helaas is dat mechanisme niet te stoppen en is het niet op te lossen met beter onderwijs in de zwakkere wijken, hoe noodzakelijk dat ook is.

Overigens komt Stellinga -zoals gewoonlijk- alleen met een probleemschets, niet met een voorstel voor een oplossing. Daarom haar nominatie in de rubriek #wilwelwatmaarweetookalniethoe.

zaterdag 29 februari 2020

Nieuwe cijfers werkgelegenheid. En het besteedbaar inkomen?

Het CBS publiceerde vandaag zijn cijfers over het verloop van het aantal mensen in de bijstand. Voor het derde achtereenvolgende jaar is er een daling nadat er daarvoor acht jaar lang, van 2009 tot en met 2016 steeds een stijging is geweest. In die periode nam het aantal mensen in de bijstand toe met honderdzestigduizend. Die toename is nog niet ongedaan gemaakt, maar de daling van het bestand heeft zich dus ook in 2019 voortgezet, wat natuurlijk een goed teken is. Nadat de laatste drie jaar het aantal bijstandsgerechtigden met ruim vijftigduizend is verminderd resteert op dit moment nog een bestand van 413.000 mensen in de bijstand. 

Er zijn meer goede tekens, maar bij het geheel zijn een paar kanttekeningen te maken, zoals gebruikelijk. Eerst de andere positieve ontwikkelingen.
De eerste ziet u hiernaast. Ook wij hebben de nieuwste cijfers over 2019 verwerkt in onze 'Monitor Werkgelegenheid in Nederland' (slow reporting noemen we dat). De werkgelegenheid is opnieuw gestegen. De echte. Dat is het aantal feitelijk (betaald) gewerkte uren, gecorrigeerd voor de bevolkingstoename. In het vorige verslagjaar 2018, zijn we wat de werkgelegenheid betreft uit het dal van de crisis van 2008 gekropen. Het tot dan toe hoogste niveau van de werkgelegenheid, 776 uur per inwoner (2008) werd in 2018 overtroffen (780 uur per inwoner).
Afgelopen jaar werd dat dus nog meer, namelijk 791 uur per inwoner.

Naast de absolute en relatieve toename van de werkgelegenheid is ook het aantal werkenden per duizend inwoners gestegen. Dat getal bereikte zijn hoogste punt eveneens vlak voor de crisis, op 543 werkenden. Ook op dit punt is de teruggang ongedaan gemaakt, want in 2019 waren er 552 werkenden per duizend inwoners.
Hierbij moet worden aangetekend dat iedereen die minstens één uur per week betaald werk verricht door het CBS al geteld wordt als een werkende met een 'baan'. Het heeft dus zin om ook te kijken naar het gemiddelde aantal uren per baan. Dan zien we dat dat gemiddelde over de jaren nogal is gedaald, hetgeen de toename van het aantal werkenden enigszins relativeert.



En dan het loon. We zouden mogen verwachten dat de gezinsinkomens flink stijgen als er steeds meer mensen betaald werk hebben. Maar het resultaat blijkt magertjes, zoals blijkt uit deze grafiek over de periode na de crisis, 2011 - 2018.


De inkomens van gezinnen in de bijstand zijn noch gedaald, noch gestegen. Die van werknemersgezinnen stijgen licht maar gestaag, terwijl die van zelfstandigen zoals te verwachten is wat meer fluctuatie vertonen, maar ze zijn in 2018 hoger dan in 2011.
De pensioenen hebben in 2018 nog een heel klein plusje ten opzichte van 2011, maar dat plusje is bezig te verdwijnen.

Conclusies trekken is vooral een kwestie van persoonlijke instelling. Voor de een is het glas halfvol en voor de ander halfleeg. Mijn conclusie is dat bij een arbeidsmarkt die 'overspannen' heet te zijn, met allerlei moeilijk vervulbare vacatures en daarbij een inderdaad stijgend arbeidsvolume, we eigenlijk meer hadden mogen verwachten op het loonfront.

In de decennia na de oorlog was een gezin met één kostwinner tamelijk gebruikelijk. Zo gebruikelijk, dat vrouwelijke ambtenaren die gingen trouwen om die reden werden ontslagen. Ze zouden maar een baan bezet houden voor een potentiële -veelal mannelijke- 'kostwinner'.
Heden ten dage is een gezin met anderhalve baan de norm geworden. Laten we hopen dat we bij ons toestanden kunnen voorkomen zoals in de VS, waar een alleenstaande of alleenstaande ouder die zichzelf (en kinderen) wil onderhouden het vaak niet meer redt met slechts één 'baan'.
'Working two jobs' is in de VS een steeds vaker voorkomend verschijnsel geworden.


zondag 16 februari 2020

FvD basisinkomen: geen Uil van Minerva, maar een Paard van Troje


Diverse media berichtten afgelopen vrijdag dat Forum voor Democratie werkt aan een voorstel voor een ingrijpende herziening van ons sociale en fiscale stelsel, waarvan ook een (soort van) basisinkomen deel zou uitmaken. Tamelijk onverwacht, want leider Baudet heeft zich eerder op twitter juist uitgesproken tegen een basisinkomen (en voor een belastingvrije voet, wat iets heel anders is).
Welnu, het gaat ook niet om een basisinkomen en zo wordt het door FvD ook niet genoemd. Het 'basisinkomen' van FvD heet "verzilverbare heffingskorting", maar ook dat is een rare naam. Het is geen heffingskorting, want ook mensen op wier heffing niets te korten valt omdat ze geen heffing betalen, krijgen hem. Het woord "verzilverbaar" doet ook vreemd aan. Het lijkt alsof je erom moet vragen, maar je krijgt hem juist opgedrongen.
De "verzilverbare heffingskorting" is simpelweg een afkoopsom voor al je rechten op sociale uitkeringen (inclusief kinderbijslag en AOW) en alle bijzondere subsidies en toeslagen. Het gehele bestaande scala aan heffingskortingen en toeslagen wordt erdoor vervangen, evenals trouwens zaken als hypotheekrenteaftrek, eigenwoningforfait en specifieke aftrekposten voor zelfstandigen.
Doel van de operatie is een vereenvoudiging van ons fiscale stelsel, maar het lijkt er meer op dat dit ons van de regen in de drup zou doen belanden.
Ik zeg "zou", want dit plan gaat het niet halen, omdat de inkomenseffecten zeer divers en ingrijpend zijn, zelfs binnen eenzelfde inkomenscategorie.
Dat zou diverse specifieke reparaties nodig maken, met alle politieke gesteggel en budgettaire problemen van dien. Een non-starter dus.

Dat het hier geen basisinkomen betreft is al direct duidelijk, want de "verzilverbare heffingskorting" is niet individueel en niet onvoorwaardelijk.
Bij de SGP kan het idee tot extatische uitbarstingen van geestdrift leiden, want de 'aanrechtsubsidie' komt in versterkte mate terug. Qua inkomenseffect zijn de tweeverdieners de klos en zijn de alleenverdieners spekkoper. De alleenstaanden ziten daar tussenin. De gepensioneerden en de huidige bijstandsgerechtigden gaan erop achteruit. Die laatste categorie kan wel een extraatje krijgen (in de vorm van een soort van 'participatietoeslag' ten bedrage van  1700,- per jaar) als ze aantoonbaar vrijwilligerswerk verrichten.

Deze "vereenvoudiging" van ons sociale en fiscale stelsel komt erop neer dat het inkomen van alle burgers mede afhankelijk wordt van hun leefwijze. Een alleenstaande krijgt immers niet de helft, maar 70% procent van het normbedrag voor samenwonenden. Nu is de leefwijze alleen relevant bij bepaalde groepen die een beroep doen op specifieke inkomensafhankelijke regelingen, zoals bijstand en kinderopvangtoeslag.
FvD pleit ter vereenvoudiging voor twee verschillende fiscale stelsels, leeftijdafhankelijk. Een vlaktaks van 50% voor mensen beneden de AOW-leeftijd en een tweeschijvenstelsel voor ouderen. Huishoudens worden ingedeeld naar de leeftijd van de "hoofdkostwinner".
Die 'vlaktaks' lijkt er met de haren bijgesleept; nergens wordt duidelijk gemaakt waarom een vereenvoudiging van ons - inderdaad uit de hand gelopen- woud van heffingskortingen en inkomensafhankelijke subsidies en toeslagen gepaard dient te gaan met afschaffing van de belastingheffing naar draagkracht.

FvD heeft het geheel door laten rekenen door het Centraal Planbureau. De conclusie is dat het op het eerste gezicht niet zou leiden tot onoverkomelijke problemen voor de rijksbegroting. En dat, let op, het gemiddelde koopkrachteffect voor de huishoudens "licht positief" is. Maar met een enorme spreiding. Sommigen gaan er 14% op achteruit in inkomen en anderen kunnen er tot 50% op vooruit gaan.
Het CPB heeft ook gekeken naar het effect op de arbeidsparticipatie. Uiteraard, dat MICSIM model is er niet voor niks. Wijselijk doet het CPB geen uitspraak over het effect op de werkgelegenheid, waar MICSIM voorheen ten onrechte voor werd gebruikt, maar alleen over het effect op het arbeidsaanbod (d.i. de mate waarin mensen zoeken naar werk). Dat arbeidsaanbod zou per saldo 3,3% dalen volgens het CPB.

Zelf durf ik wel een uitspraak te doen over het werkgelegenheidseffect van het FvD plan.
De werkgelegenheid zal erdoor toenemen, maar helaas op een verkeerde manier. We zullen duizenden extra sociaal-rechercheurs en andere controleurs nodig hebben om tandenborstels te tellen en om van degenen die hun 'participatietoeslag' claimen na te gaan of ze bij de club wel genoeg baruren draaien. Wat een eng soort samenleving zou dat opleveren.