woensdag 18 maart 2020

Opgepast: het basisinkomen gaat viraal!


Bijna de hele wereld worstelt met het Coronavirus en de draconische maatregelen die in dat kader genomen moeten worden hebben grote gevolgen op allerlei gebied. Daarom worden in tal van landen niet alleen actieplannen gemaakt ter bestrijding van de pandemie, maar ook ter ondersteuning van de economie, meer speciaal ter ondersteuning van de burgers en de bedrijven.
In verschillende landen is aangekondigd dat de ondersteuning van de burgers mede plaats zal vinden in de vorm van een uitkering in geld, rechtstreeks van de overheid naar de burger. Berichten in de reguliere media en ook veel berichten in de sociale media maken daarom in dat kader regelmatig de vergelijking met het basisinkomen. Ondanks het feit dat in geen enkel land een maatregel wordt genomen die neerkomt op invoering van een -werkelijk- basisinkomen.
Maar de voorstanders van een basisinkomen, die jarenlang gewend waren om hun pleidooi aan dovemansoren te richten, zijn laaiend enthousiast.
Ze zien ineens overal een 'basisinkomen' opduiken, terwijl geen van de aangekondigde maatregelen ook maar in de buurt komt van de definitie van een basisinkomen. Ook wordt hier en daar op zo'n maatregel het label 'helikoptergeld' geplakt (Milton Friedman lééft!). Die term is evenmin van toepassing, want het geld dat in het vooruitzicht wordt gesteld zal niet door de centrale bank worden geleverd (monetair gefinancierd), maar door de overheid geleend op de kapitaalmarkt. Ten koste van een hoger begrotingstekort en dus een hogere staatsschuld. De aangekondigde maatregelen zijn ook overal incidenteel, of minstens tijdelijk, voor de duur van de coronacrisis.
Al het enthousiasme van de voorstanders van een basisinkomen is dus eigenlijk onterecht. Het kan zelfs schadelijk zijn voor hun streven, omdat bij de massa een verkeerd beeld ontstaat van het basisinkomen en van het doel dat ermee wordt beoogd. Dat gevaar is des te groter omdat er onder de voorstanders vele varianten van het basisinkomen circuleren waar geen schijn van overeenstemming over bestaat. Het lijkt er niet op dat uit die varianten op enige afzienbare termijn de meest gewenste variant zal worden gekozen. Tot dusver was dit geen enkel probleem, want de geesten waren bepaald nog niet rijp voor het idee. Maar nu dat langzaam begint te veranderen en grotere groepen er in principe voor lijken te voelen, wordt het tijd om een keuze te maken. Als die keuze achterwege blijft is de kans groot dat het momentum straks weer voorbij is of, veel vervelender, dat er een variant wordt ingevoerd waar we heel veel spijt van gaan krijgen.


maandag 9 maart 2020

#wilwelwatmaarweetookalniethoe: Marike Stellinga


Regelmatig zijn er deskundigen, vaak politici en oud-politici, die ons vertellen wat er volgens hen moet gebeuren. Hun bijdrage aan het publieke debat moet althans die indruk wekken. Heel vaak echter, weten ze wel te vertellen welke doelen we zouden moeten nastreven, maar hebben ze blijkbaar geen idee hoe we die doelen kunnen bereiken. Hoe verstandig de doelen ook gekozen mogen zijn, op die manier is hun bijdrage niet meer dan een vorm van wensdenken waarmee we niet veel opschieten. We rangschikken ze daarom onder de hashtag #wilwelwatmaarweetookalniethoe.

Deze keer: Marike Stellinga

Marike Stellinga is chef van de economieredactie van de NRC. Afgelopen zaterdag schreef ze in haar krant over het onderwijs. Het onderwijs ziet zij als "De Grote Gelijkmaker" en dat is volgens Stellinga blijkbaar ter ziele, want ze pleit ervoor om deze Grote Gelijkmaker te laten "herrijzen".
Met de term "Gelijkmaker" bedoelt ze, dat het onderwijs ervoor kan zorgen dat je als kind van lager opgeleide ouders toch een hogere opleiding en dus een hoger leefniveau kunt bereiken. Dat je zoals Stellinga schrijft, "van een dubbeltje een kwartje kan worden". Het onderwijs kan "kinderen optillen, ongeacht het gezin waaruit ze komen". Kortom, Stellinga is nog helemaal vervuld van het aloude 'verheffingsideaal', zoals dat vooral na de tweede wereldoorlog breed werd gedragen.
Dit verheffingsideaal kunnen we loslaten. Niet omdat het verkeerd zou zijn, maar omdat het uitgangspunt waarop het was gebaseerd, inmiddels nauwelijks meer geldig is. Kinderen van armere, laagopgeleide ouders gingen vaak op hun beurt ook een lagere opleiding volgen en kwamen dus ook in lager betaalde banen terecht, net als hun ouders. Dat was niet omdat ze de capaciteiten misten voor een hogere opleiding, maar omdat enerzijds de middelen ontbraken voor een hogere (vaak ook langduriger) opleiding en anderzijds omdat binnen de destijds aanwezige sociale context niets anders van ze werd verwacht. Hun achterblijven was dus een gevolg van de bestaande ongelijkheid in kansen.
Dat is niet of nauwelijks meer het geval. Gedurende decennia van onderwijsvernieuwing en financiële ondersteuning hebben de naoorlogse generaties dezelfde kansen gekregen en die hebben ze benut om hetzelfde niveau te bereiken als kinderen van rijkere ouders.

Niettemin signaleert Stellinga een hardnekkig probleem, verwijzend naar rapportage van het CPB, namelijk dat het percentage 15-jarigen dat niet goed kan lezen, hoog is en nog (of weer?) toeneemt. Op die constatering valt niets af te dingen, maar op de oorzaken die ze noemt wel. Minder goed onderwijs op scholen in kansarme buurten. Met een groter lerarentekort en meer lesuitval. Dat zijn reële problemen die opgelost moeten worden, maar ze zijn er niet de oorzaak van dat die kinderen zo moeilijk van een dubbeltje een kwartje worden. De Utrechtse psycholoog en filosoof Kees Vuyk heeft dat uitgelegd in zijn boek: "Oude en nieuwe ongelijkheid, over het failliet van het verheffingsideaal" (2017). Zelf zou ik het woord "failliet" niet gebruiken, want de nieuwe ongelijkheid waar Vuyk op doelt is niet het gevolg van falen van het streven naar verheffing van kinderen uit de lagere sociale klassen, maar meer van het succes ervan. De nieuwe ongelijkheid wordt niet veroorzaakt door ongelijke kansen, maar door ongelijke intellectuele aanleg. Dat is het resultaat van selectiemechanismen in de samenleving die ervoor zorgen dat intelligent trouwt met intelligent en dus overwegend intelligent(er)e kinderen voortbrengt. Die trouwen op hun beurt weer met intelligent(er)e partners, enzovoort.
Helaas is dat mechanisme niet te stoppen en is het niet op te lossen met beter onderwijs in de zwakkere wijken, hoe noodzakelijk dat ook is.

Overigens komt Stellinga -zoals gewoonlijk- alleen met een probleemschets, niet met een voorstel voor een oplossing. Daarom haar nominatie in de rubriek #wilwelwatmaarweetookalniethoe.

zaterdag 29 februari 2020

Nieuwe cijfers werkgelegenheid. En het besteedbaar inkomen?

Het CBS publiceerde vandaag zijn cijfers over het verloop van het aantal mensen in de bijstand. Voor het derde achtereenvolgende jaar is er een daling nadat er daarvoor acht jaar lang, van 2009 tot en met 2016 steeds een stijging is geweest. In die periode nam het aantal mensen in de bijstand toe met honderdzestigduizend. Die toename is nog niet ongedaan gemaakt, maar de daling van het bestand heeft zich dus ook in 2019 voortgezet, wat natuurlijk een goed teken is. Nadat de laatste drie jaar het aantal bijstandsgerechtigden met ruim vijftigduizend is verminderd resteert op dit moment nog een bestand van 413.000 mensen in de bijstand. 

Er zijn meer goede tekens, maar bij het geheel zijn een paar kanttekeningen te maken, zoals gebruikelijk. Eerst de andere positieve ontwikkelingen.
De eerste ziet u hiernaast. Ook wij hebben de nieuwste cijfers over 2019 verwerkt in onze 'Monitor Werkgelegenheid in Nederland' (slow reporting noemen we dat). De werkgelegenheid is opnieuw gestegen. De echte. Dat is het aantal feitelijk (betaald) gewerkte uren, gecorrigeerd voor de bevolkingstoename. In het vorige verslagjaar 2018, zijn we wat de werkgelegenheid betreft uit het dal van de crisis van 2008 gekropen. Het tot dan toe hoogste niveau van de werkgelegenheid, 776 uur per inwoner (2008) werd in 2018 overtroffen (780 uur per inwoner).
Afgelopen jaar werd dat dus nog meer, namelijk 791 uur per inwoner.

Naast de absolute en relatieve toename van de werkgelegenheid is ook het aantal werkenden per duizend inwoners gestegen. Dat getal bereikte zijn hoogste punt eveneens vlak voor de crisis, op 543 werkenden. Ook op dit punt is de teruggang ongedaan gemaakt, want in 2019 waren er 552 werkenden per duizend inwoners.
Hierbij moet worden aangetekend dat iedereen die minstens één uur per week betaald werk verricht door het CBS al geteld wordt als een werkende met een 'baan'. Het heeft dus zin om ook te kijken naar het gemiddelde aantal uren per baan. Dan zien we dat dat gemiddelde over de jaren nogal is gedaald, hetgeen de toename van het aantal werkenden enigszins relativeert.



En dan het loon. We zouden mogen verwachten dat de gezinsinkomens flink stijgen als er steeds meer mensen betaald werk hebben. Maar het resultaat blijkt magertjes, zoals blijkt uit deze grafiek over de periode na de crisis, 2011 - 2018.


De inkomens van gezinnen in de bijstand zijn noch gedaald, noch gestegen. Die van werknemersgezinnen stijgen licht maar gestaag, terwijl die van zelfstandigen zoals te verwachten is wat meer fluctuatie vertonen, maar ze zijn in 2018 hoger dan in 2011.
De pensioenen hebben in 2018 nog een heel klein plusje ten opzichte van 2011, maar dat plusje is bezig te verdwijnen.

Conclusies trekken is vooral een kwestie van persoonlijke instelling. Voor de een is het glas halfvol en voor de ander halfleeg. Mijn conclusie is dat bij een arbeidsmarkt die 'overspannen' heet te zijn, met allerlei moeilijk vervulbare vacatures en daarbij een inderdaad stijgend arbeidsvolume, we eigenlijk meer hadden mogen verwachten op het loonfront.

In de decennia na de oorlog was een gezin met één kostwinner tamelijk gebruikelijk. Zo gebruikelijk, dat vrouwelijke ambtenaren die gingen trouwen om die reden werden ontslagen. Ze zouden maar een baan bezet houden voor een potentiële -veelal mannelijke- 'kostwinner'.
Heden ten dage is een gezin met anderhalve baan de norm geworden. Laten we hopen dat we bij ons toestanden kunnen voorkomen zoals in de VS, waar een alleenstaande of alleenstaande ouder die zichzelf (en kinderen) wil onderhouden het vaak niet meer redt met slechts één 'baan'.
'Working two jobs' is in de VS een steeds vaker voorkomend verschijnsel geworden.


zondag 16 februari 2020

FvD basisinkomen: geen Uil van Minerva, maar een Paard van Troje


Diverse media berichtten afgelopen vrijdag dat Forum voor Democratie werkt aan een voorstel voor een ingrijpende herziening van ons sociale en fiscale stelsel, waarvan ook een (soort van) basisinkomen deel zou uitmaken. Tamelijk onverwacht, want leider Baudet heeft zich eerder op twitter juist uitgesproken tegen een basisinkomen (en voor een belastingvrije voet, wat iets heel anders is).
Welnu, het gaat ook niet om een basisinkomen en zo wordt het door FvD ook niet genoemd. Het 'basisinkomen' van FvD heet "verzilverbare heffingskorting", maar ook dat is een rare naam. Het is geen heffingskorting, want ook mensen op wier heffing niets te korten valt omdat ze geen heffing betalen, krijgen hem. Het woord "verzilverbaar" doet ook vreemd aan. Het lijkt alsof je erom moet vragen, maar je krijgt hem juist opgedrongen.
De "verzilverbare heffingskorting" is simpelweg een afkoopsom voor al je rechten op sociale uitkeringen (inclusief kinderbijslag en AOW) en alle bijzondere subsidies en toeslagen. Het gehele bestaande scala aan heffingskortingen en toeslagen wordt erdoor vervangen, evenals trouwens zaken als hypotheekrenteaftrek, eigenwoningforfait en specifieke aftrekposten voor zelfstandigen.
Doel van de operatie is een vereenvoudiging van ons fiscale stelsel, maar het lijkt er meer op dat dit ons van de regen in de drup zou doen belanden.
Ik zeg "zou", want dit plan gaat het niet halen, omdat de inkomenseffecten zeer divers en ingrijpend zijn, zelfs binnen eenzelfde inkomenscategorie.
Dat zou diverse specifieke reparaties nodig maken, met alle politieke gesteggel en budgettaire problemen van dien. Een non-starter dus.

Dat het hier geen basisinkomen betreft is al direct duidelijk, want de "verzilverbare heffingskorting" is niet individueel en niet onvoorwaardelijk.
Bij de SGP kan het idee tot extatische uitbarstingen van geestdrift leiden, want de 'aanrechtsubsidie' komt in versterkte mate terug. Qua inkomenseffect zijn de tweeverdieners de klos en zijn de alleenverdieners spekkoper. De alleenstaanden ziten daar tussenin. De gepensioneerden en de huidige bijstandsgerechtigden gaan erop achteruit. Die laatste categorie kan wel een extraatje krijgen (in de vorm van een soort van 'participatietoeslag' ten bedrage van  1700,- per jaar) als ze aantoonbaar vrijwilligerswerk verrichten.

Deze "vereenvoudiging" van ons sociale en fiscale stelsel komt erop neer dat het inkomen van alle burgers mede afhankelijk wordt van hun leefwijze. Een alleenstaande krijgt immers niet de helft, maar 70% procent van het normbedrag voor samenwonenden. Nu is de leefwijze alleen relevant bij bepaalde groepen die een beroep doen op specifieke inkomensafhankelijke regelingen, zoals bijstand en kinderopvangtoeslag.
FvD pleit ter vereenvoudiging voor twee verschillende fiscale stelsels, leeftijdafhankelijk. Een vlaktaks van 50% voor mensen beneden de AOW-leeftijd en een tweeschijvenstelsel voor ouderen. Huishoudens worden ingedeeld naar de leeftijd van de "hoofdkostwinner".
Die 'vlaktaks' lijkt er met de haren bijgesleept; nergens wordt duidelijk gemaakt waarom een vereenvoudiging van ons - inderdaad uit de hand gelopen- woud van heffingskortingen en inkomensafhankelijke subsidies en toeslagen gepaard dient te gaan met afschaffing van de belastingheffing naar draagkracht.

FvD heeft het geheel door laten rekenen door het Centraal Planbureau. De conclusie is dat het op het eerste gezicht niet zou leiden tot onoverkomelijke problemen voor de rijksbegroting. En dat, let op, het gemiddelde koopkrachteffect voor de huishoudens "licht positief" is. Maar met een enorme spreiding. Sommigen gaan er 14% op achteruit in inkomen en anderen kunnen er tot 50% op vooruit gaan.
Het CPB heeft ook gekeken naar het effect op de arbeidsparticipatie. Uiteraard, dat MICSIM model is er niet voor niks. Wijselijk doet het CPB geen uitspraak over het effect op de werkgelegenheid, waar MICSIM voorheen ten onrechte voor werd gebruikt, maar alleen over het effect op het arbeidsaanbod (d.i. de mate waarin mensen zoeken naar werk). Dat arbeidsaanbod zou per saldo 3,3% dalen volgens het CPB.

Zelf durf ik wel een uitspraak te doen over het werkgelegenheidseffect van het FvD plan.
De werkgelegenheid zal erdoor toenemen, maar helaas op een verkeerde manier. We zullen duizenden extra sociaal-rechercheurs en andere controleurs nodig hebben om tandenborstels te tellen en om van degenen die hun 'participatietoeslag' claimen na te gaan of ze bij de club wel genoeg baruren draaien. Wat een eng soort samenleving zou dat opleveren.


vrijdag 31 januari 2020

WRR (4) Rapport bewijst: het basisinkomen wint aan populariteit


Nog één blogpost over het WRR-rapport "Het betere werk. De nieuwe maatschappelijke opdracht" en dan houden we er over op. Beloofd.
Aangezien het rapport geschreven is door wetenschappers lagen onze verwachtingen hoog. Je rekent niet alleen op een aantal lumineuze ideeën, maar eerst en vooral op een heldere analyse, een concrete probleemstelling en een logische redenering naar de aangedragen oplossingen, c.q. adviezen.
Dat alles ontbreekt hier helaas.

Vreemd is allereerst dat de WRR de 'kwaliteit van werk' heeft gekozen als het centrale onderwerp. Die kwaliteit wordt namelijk niet bepaald door de overheid, maar primair door de werkgevers en (in mindere mate) door de vakbonden via het arbeidsvoorwaardenoverleg. Het zijn dan ook vooral de sociale partners die door de WRR worden aangespoord, hoewel de WRR niet hen, maar de overheid behoort te adviseren. De WRR heeft het over "oneerlijke concurrentie tussen werkenden met verschillende contractvormen", maar heeft geen voorstellen op dat punt. Dat zou ook wat prematuur zijn, want de nieuwe 'Wet Werk in Balans' die daar wat aan moet doen is zojuist, twee weken voor het WRR-rapport, in werking getreden.

De WRR heeft het uitvoerig over de mensen die geen (of te weinig) werk hebben. Ook dat doet vreemd aan, want de werkgelegenheid staat nu net op een historisch hoogtepunt. Meer werkenden dan ooit en meer gewerkte uren dan ooit. Toch moeten de mensen die een uitkering hebben ook aan het werk, want werk is goed voor ze. Althans als het 'goed' werk is.
Dat 'goede' werk is er niet in voldoende mate en de meeste uitkeringsgerechtigden matchen niet met de bestaande vacatures, dus er is voor deze groep aangepast ('goed') werk nodig. Omdat het bedrijfsleven deze mensen niet zomaar een aangepaste baan gaat geven komt de WRR met een hele snoepwinkel aan incentives. Van langdurige subsidies tot nog langer durende "begeleiding", die begint nog voor de baan er is en voortduurt tot nadat de baan is opgeheven. Daarnaast moet ook de overheid dergelijke 'basisbanen' scheppen
Hiertoe heeft de WRR de oude 'Melkertbaan' weer uit de mottenballen gehaald. Uiteraard voorzien van een nieuw etiket: de 'basisbaan'. Klinkt beter dan 'werkverschaffing', maar lijkt hetzelfde. Ik zeg 'lijkt', want de WRR legt niet uit wat we eronder moeten verstaan.
Dat de WRR het idee van een 'basisbaan' naar voren schuift is, schrijft men zelf, "deels een antwoord op de veranderende arbeidsmarkt". Maar zo veranderd is de arbeidsmarkt op dit punt helemaal niet. Al vele decennia is er een harde kern van uitkeringsgerechtigden. Mensen die op de reguliere arbeidsmarkt kansloos zijn. Daarom hadden we de WSW, maar die is de facto de nek omgedraaid.
Vanaf 1994 hadden we de Melkertbanen, maar die zijn in 2004 weer afgeschaft, met name op aandringen van de SER, dus dezelfde sociale partners waarop de WRR nu (deels) een beroep doet om ze weer in te voeren! Vanwege de "veranderende arbeidsmarkt"?

Veelzeggender is het andere argument dat de WRR aandraagt voor de 'basisbaan', namelijk dat het "ook deels een antwoord (is) op het idee van een basisinkomen". Daar komt de aap uit de mouw!
Het wordt nog duidelijker doordat de WRR er met gevoel voor dramatiek op laat volgen: "waarom zouden we degenen die willen en kunnen werken dan ‘afschepen’ met een inkomen in plaats van te zorgen voor goed werk?". Dit is een valse tegenstelling, een klassieker onder de drogredeneringen.
Een basisinkomen is geen uitkering voor werklozen en werkverschaffing kan dus ook geen alternatief voor een basisinkomen zijn.

Het idee van een basisinkomen lijkt op het eerste gezicht geen enkele relevantie te hebben voor het onderwerp van dit WRR rapport, maar dat blijkt anders als we de grote lijn er nog even bij halen.
Het gaat volgens de WRR om drie belangrijke condities: grip op geld, grip op het werk en grip op het leven. Die condities worden nader geconcretiseerd naar "voldoende (financiële) zekerheid (...), ook in verhouding tot anderen en op de lange termijn". Naar "een zekere vrijheid, waarbij een beroep wordt gedaan op onze capaciteiten" en naar "voldoende tijd en ruimte om werk te combineren met zorgtaken en een privéleven". Laten dat nou nét de zaken zijn die door de voorstanders van een basisinkomen worden gezien als de belangrijkste voordelen ervan!

De conclusie is onontkoombaar, namelijk dat de WRR met dit rapport niet alleen wil pleiten voor 'goed werk', maar vooral tégen een basisinkomen.
Niet verwonderlijk, want de vier schrijvers van het rapport zijn zonder uitzondering verklaarde tegenstanders van een basisinkomen. De eerstverantwoordelijke, prof Engbersen, al sinds 1993, zoals hier blijkt. Ook de in de media meest geïnterviewde auteur, projectcoördinator prof Monique Kremer, is al langer tegenstander van een basisinkomen, zoals hier blijkt. Dat geldt ook voor prof Arnoud Boot (zie hier) en WRR-medewerker Robert Went (zie hier).

Resteert alleen nog de vraag waarom de WRR het nodig vond om zich af te zetten tegen het idee van een basisinkomen. Daarop is het antwoord niet moeilijk te bedenken: omdat het basisinkomen steeds meer bekendheid krijgt en aan populariteit wint. Dat doet kennelijk de paniek in de academische wereld toenemen, maar het geeft de burger (die voorstander is van een OBi) moed.
Nu alleen nog beslissen welk soort basisinkomen en hoe het -precies- moet worden ingepast in ons sociaal-economische en fiscale stelsel.
Eitje, toch?


vrijdag 24 januari 2020

WRR (3) Samenvatting van de aanbevelingen


Op 15/01/2020 verscheen het WRR rapport "Het betere werk, de nieuwe maatschappelijke opdracht". De WRR vraagt daarin met name aandacht voor de kwaliteit van werk:
"Voor deze kwaliteit van werk is volgens de WRR nog te weinig aandacht. Daarom staat deze centraal in dit rapport. Het hebben van werk is namelijk goed, zowel voor het inkomen en het zelfrespect van individuen als voor de samenleving. Maar dit geldt vooral als het werk ook goed werk is."

Het rapport van de WRR telt 294 pagina's en bevat grote hoeveelheden informatie over de huidige sociaal-economische situatie in Nederland, inclusief cijfermateriaal en grafische afbeeldingen.
Een heldere probleemstelling ontbreekt, maar wel worden er drie ontwikkelingen onderscheiden die invloed hebben op de kwaliteit van het werk, nu en in de toekomst: technologisering, flexibilisering en intensivering. De nadelige invloed van deze ontwikkelingen op de kwaliteit van het werk vormt de aanleiding en de inhoud van het rapport. De WRR zegt niet dat de kwaliteit van het werk onvoldoende is, maar dat we daarmee in de Europese middenmoot verkeren. "Dat kan en moet beter", vindt de Raad. Veel werk (dat hebben we) is niet genoeg, het gaat om "goed" werk.

Wat is goed werk? Uit de wetenschappelijke literatuur destillereert de WRR drie belangrijke condities voor goed werk:
1. Grip op geld. Goed werk is werk dat voldoende (financiële) zekerheid oplevert, ook in verhouding tot anderen en op de lange termijn. (Zie 1, 2, 3 en 4)
2. Grip op het werk. Goed werk is werk met een zekere vrijheid, waarbij een beroep wordt gedaan op onze capaciteiten en goede sociale relaties worden onderhouden. (Zie 5 en 6)
3. Grip op het leven. Goed werk is werk met voldoende tijd en ruimte om het te combineren met zorgtaken en een privéleven. (Zie 7 en 8)

p228
1. Voorkom oneerlijke concurrentie tussen werkenden met verschillende contractvormen.
Op dit punt heeft de WRR nauwelijks concrete voorstellen. Men doet een vrijblijvende oproep aan bedrijven en instellingen om "weloverwogen beslissingen te nemen" en "contracten aan te bieden die passen bij de aard van het werk". Weliswaar is volgens de WRR de overheid "aan zet", maar die heeft haar 'zet' zojuist gedaan. Dat weet ook de Raad, want die schrijft direct daarna: "In 2019 is in dit kader de Wet Werk in Balans aangenomen." Ook is er al nieuwe regelgeving aangekondigd om de zwakke positie van ZZP-ers te versterken. Zij krijgen de mogelijkheid om minimumtarieven af te spreken en gezamenlijk een CAO af te sluiten. Kortom, wat volgens de WRR nodig is wordt al gedaan en men heeft op dit onderdeel voor de overheid dan ook geen aanvullende adviezen.

p229
2. Ontwikkel een stelsel van contractneutrale basisverzekeringen en voorzieningen voor alle burgers, een stelsel dat past bij de nieuwe wereld van werk.
De WRR stelt voor om een verplichte basisverzekering in het leven te roepen die alle sociale risico’s dekt, van ouderdom tot arbeidsongeschiktheid. Ook ZZP-ers moeten daaronder gaan vallen.
Het is zwaar omfloerst beschreven allemaal en daardoor nauwelijks concreet te vatten, maar de teneur is duidelijk: werkgevers moeten worden bevrijd van de kosten voor zorg, voor scholing, en voor lerend werken en werkend leren. Die kosten moeten worden overgeheveld naar het voorgestelde nieuwe stelsel van sociale zekerheid. Dat voor dergelijke secundaire arbeidsvoorwaarden in CAO-onderhandelingen door de bonden telkenmale loonruimte is ingeleverd, daarover rept de WRR met geen woord.

p231
3. Vernieuw het actief arbeidsmarktbeleid, onder andere door meer aandacht voor persoonlijke begeleiding.
De WRR pleit voor verhoging van het budget voor arbeidsmarktbeleid. De vergelijking met landen als Denemarken en Zweden suggereert dat het Nederlandse budget verdubbeld of zelfs verdrievoudigd zou moeten worden.
Dat geld wil de WRR vooral besteden aan meer, persoonlijker en specifieker begeleiding van uitkeringsgerechtigden naar een betaalde baan. Dat moet niet alleen gaan om zuivere arbeidsbemiddeling, maar ook om andere ondersteuning, op het gebied van taalonderwijs of gezondheidszorg. En die begeleiding moet niet meteen stoppen als de uitkering eindigt.
Het hogere budget is ook nodig voor het creëren van (kennelijk gesubsidieerde) aangepaste werkplekken in bedrijven, met begeleiding voor zowel de werkgever als de (arbeidsbelemmerde) werknemer. Als tegenprestatie voor de subsidie moet de werkgever een verplichting aangaan "voor de lange termijn".
Het meest opmerkelijke advies is dat er moet worden gewerkt aan "preventie" van werkloosheid.
Werkgevers en de overheid moeten mensen die hun baan (dreigen te) verliezen, zo goed mogelijk helpen om bij te blijven op het werk, of om over te kunnen stappen naar nieuw goed werk. Dit betekent doorleren op de werkplek en ook dat UWV en gemeenten er eerder bij betrokken worden als mensen dreigen uit te vallen door werkloosheid of burn-out, en niet pas op het moment dat zij de uitkeringen moeten betalen.

p233
4. Geef mensen met een uitkering en weinig kans op de arbeidsmarkt een basisbaan.
De WRR pleit voor 'basisbanen' voor mensen met een uitkering en weinig arbeidsmarktkansen.
Concreter dan dat wordt het niet. We lezen niets over de aard van die 'basisbanen', over wie er als werkgever moet fungeren, hoe het betaald gaat worden, welke arbeidsvoorwaarden eraan verbonden zijn, of zo'n 'basisbaan' een verplichting wordt, of de bijstandsuitkeringen moeten worden afgeschaft (dan moeten er héél veel basisbanen komen), enzovoort.
We lezen alleen wat een 'basisbaan' niet is, namelijk niet tijdelijk en niet op doorstroming gericht.
Dit flinterdunne en uiterst vage onderdeel van de aanbevelingen heeft in de media de meeste aandacht getrokken, maar dat kan moeilijk worden toegeschreven aan de inhoud van het voorstel, want die inhoud ontbreekt volledig.

p234
5. Ontwikkel een programmatische aanpak voor goed werk binnen bedrijven en instellingen.
Op dit onderdeel wordt het dringen bij de uitvoering: "Bedrijven en instellingen zijn natuurlijk als eerste aan zet", maar "de overheid zal (...) het voortouw moeten nemen." Dat "voortouw" bestaat uit "zachte regulering" in de vorm van voorlichtings- en propagandacampagnes. Polderen dus eigenlijk. Wie erbij betrokken moeten worden is glashelder, namelijk iedereen. Nou, dan gaat het vast wel lukken.

p237
6.Versterk de positie van werkenden binnen arbeidsorganisaties.
De WRR pleit ervoor om "meer tegenkracht en werknemersvertegenwoordiging te organiseren op het niveau van de collectieve onderhandelingen, in het bestuur en op de werkvloer zelf." Hoe de overheid daarvoor kan zorgen blijft mistig. "Een manier (...) is de vakbonden te versterken. Hoewel ze dit op de eerste plaats zelf moeten doen, is (dat) ook in het belang van de werkgevers." Dus hoopt de Raad dat die daarbij gaan helpen.
Iets (maar niet veel) concreter is het voorstel om "meer steun te bieden aan (...) bedrijfs- en organisatievormen waarin werkenden zelf de dienst uitmaken." Dat zou met name moeten door bepaalde (welke?) wettelijke of fiscale belemmeringen weg te nemen.

p239
7. Schep meer mogelijkheden om mensen de keuze te geven hoeveel uren ze willen werken, onder andere door goede kinderopvang en ouderenzorg te bieden, en meer werken makkelijker afdwingbaar te maken.
De WRR pleit ervoor om "in te zetten op een voor iedereen betaalbare en kwalitatief goede kinderopvang, zeker voor kinderen vanaf twee jaar." Wat "inzetten" hier precies betekent wordt niet vermeld. Naast "inzetten" moet er ook worden geïnvesteerd "in een kwalitatief goede zorginfrastructuur voor hulpbehoevenden, met steun voor werkende mantelzorgers." Ook hier blijft onduidelijk door wie, hoeveel en waarin er precies moet worden geïnvesteerd.
Verder moet het deeltijders makkelijker worden gemaakt om bij hun werkgever een hoger aantal werkuren af te dwingen. De 'Wet flexibel werken' geeft ze al het recht om te vragen om urenuitbreiding, maar dat wordt kennelijk niet voldoende gevonden. De WRR noemt een tweetal situaties waarin werkgevers verplicht zouden moeten worden om aan een dergelijk verzoek gevolg te geven. Bijvoorbeeld "wanneer in een bedrijf of instelling meer deeltijdbanen worden gecreëerd terwijl er ook deeltijdwerkers zijn die meer uren zouden willen werken". Waarom volgens de WRR urenuitbreiding van een werkende deeltijder prioriteit moet hebben boven het aan een (deeltijd)baan helpen van een werkloze wordt niet nader toegelicht.

p240
8. Zorg voor langdurige, collectief betaalde verlofregelingen voor zorg en zeggenschap over arbeidstijden.
De WRR pleit voor "collectief betaalde langdurige verlofregelingen (...), voor de zorg voor kinderen en zeker voor de mantelzorg". "Ook voor zzp’ers zouden dergelijke collectieve regelingen beschikbaar moeten zijn". Wat in dit verband moet worden verstaan onder "collectief" is niet duidelijk. Gelet op het in de regeling betrekken van de ZZP-ers lijkt het te gaan om een wettelijke voorziening, betaald uit belasting- en/of premieheffing. Maar de WRR doet ook meermaals een oproep aan de sociale partners, bijvoorbeeld om "in cao’s vaker en betere afspraken te maken die ruimte bieden voor zorgtaken, waaronder mantelzorg". Of de sociale partners zich van deze vrijblijvende oproep iets aan zullen trekken valt te bezien.
Met name bij het combineren van werk en zorgtaken is (meer) flexibiliteit in werktijden nodig. De WRR pleit ervoor om "overwerk te begrenzen en werk en privé af te bakenen, ook in arbeidscontracten en cao’s". Opnieuw een vrijblijvende oproep buiten de overheidssfeer.


Alles overziend is het nogal vaag wat de WRR adviseert. Eigenlijk gaat het meer om een reeks van beleidsdoelstellingen in plaats van concrete beleidsmaatregelen. Bovendien begeeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zich geregeld buiten de sfeer van het regeringsbeleid. Oproepen aan bedrijven en instellingen of aan de sociale partners mag iedereen doen, maar van de WRR verwacht men toch concrete voorstellen voor nieuw of ander overheidsbeleid.